Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.2-6.16

AANBEVELING (EU) 2018/464 VAN DE COMMISSIE

van 19 maart 2018

betreffende het toezicht op metalen en jodium in zeewier, halofyten en producten op basis van zeewier

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (1) zijn maximumgehalten aan arseen, cadmium en lood vastgesteld voor verschillende levensmiddelen. Er zijn momenteel echter geen maximumgehalten voor die stoffen vastgesteld voor zeewier en halofyten, met uitzondering van de maximumgehalten die overeenkomstig die verordening zijn vastgesteld voor voedingssupplementen die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit zeewier of van zeewier afgeleide producten.

(2)

Momenteel is het maximumresidugehalte (MRL) voor kwik in algen en prokaryote organismen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (2) vastgesteld op het standaardgehalte van 0,01 mg/kg.

(3)

In 2006 heeft het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding de bovengrens voor de inname van jodium vastgesteld op 600 μg/dag voor volwassen en 200 μg/dag voor kinderen van 1 tot en met 3 jaar oud (3). Het comité gaf aan dat de inname van algenproducten die rijk zijn aan jodium, met name gedroogde producten, kan leiden tot een gevaarlijk hoge inname van jodium, indien die producten meer dan 20 mg jodium/kg droge stof bevatten en de blootgestelde populatie in een gebied leeft waar een endemisch jodiumtekort heerst.

(4)

Uit beschikbare gegevens over de aanwezigheid van arseen, cadmium, jodium, lood en kwik blijkt dat zeewier aanzienlijke concentraties van die stoffen bevat. Aangezien halofyten ook in een mariene omgeving groeien, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat zij een vergelijkbaar opnamepatroon van die stoffen vertonen en bijgevolg een vergelijkbaar verontreinigingspatroon.

(5)

Zeewier en halofyten maken een steeds belangrijker deel uit van de consumptiepatronen van bepaalde consumenten in de Unie. Daarom moet worden beoordeeld of de bijdrage van arseen, cadmium, jodium, lood en kwik uit zeewier en halofyten tot de totale blootstelling aan die stoffen de vaststelling van maximumgehalten aan arseen, cadmium en lood voor die producten of de wijziging van het MRL aan kwik voor algen en prokaryote organismen noodzakelijk maakt, of maatregelen vereist ten aanzien van de blootstelling aan jodium uit die producten.

(6)

De bijlagen bij Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie (4) bevatten specificaties voor levensmiddelenadditieven op basis van zeewier. Voor sommige van die additieven heeft de EFSA aanbevolen om de grenswaarden voor de onzuiverheden in de vorm van toxische elementen te herzien teneinde te waarborgen dat het gebruik van die additieven geen significante bron van blootstelling aan die toxische elementen vormt, met name voor zuigelingen en jonge kinderen (5). De blootstelling aan arseen, cadmium, jodium, lood en kwik in levensmiddelenadditieven op basis van zeewier en algen moet derhalve worden beoordeeld.

(7)

Voor arseen, lood, cadmium en kwik zijn maximumgehalten vastgesteld bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad (6). Aangezien sommige soorten zeewier als diervoeding worden gebruikt, moet het metaalgehalte van die soorten eveneens worden onderzocht omwille van de diergezondheid en met het oog op de overdracht van die metalen naar levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

(8)

Er moeten gegevens worden verzameld over de aanwezigheid van arseen, cadmium, jodium, lood en kwik in verschillende zeewiersoorten, halofyten en producten op basis van zeewier, ter ondersteuning van de beoordeling van de blootstelling via de voeding,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

Dat de lidstaten, in samenwerking met exploitanten van levensmiddelen- en diervoederbedrijven, gedurende de jaren 2018, 2019 en 2020 toezicht houden op de aanwezigheid van arseen, cadmium, jodium, lood en kwik in zeewier, halofyten en producten op basis van zeewier. Om een nauwkeurige schatting van de blootstelling mogelijk te maken, zou toezicht moeten worden gehouden op eetbare halofyten, met inbegrip van Salicorna europaea en Tetragonia tetragonoides, en een grote verscheidenheid aan zeewiersoorten die de consumptiepatronen en het gebruik in diervoeders weerspiegelt, waaronder arame (Ecklonia bicyclis), blaaswier (Fucus vesiculosus), dulse (Palmaria palmata), hijiki (Hizikia fusiforme), Iers mos (Chondrus crispus), vingerwier (Laminaria digitata), kombu (Laminaria japonica, Saccharina japonica), nori of purperwier (Porphyra en Pyropia spp.), knotswier (Ascophyllum nodosum), zeesla (Ulva sp.), riemwier (Himanthalia elongata), gezaagde zee-eik (Fucus serratus), sponswier (Codium sp.), suikerwier (Sacharina latissima), wakame (Undaria pinnatifida) en gevleugelde kelp (Alaria esculenta). Ook zouden gegevens moeten worden verzameld over de aanwezigheid van de desbetreffende stoffen in op zeewier gebaseerde levensmiddelenadditieven, waaronder E400, E401, E403, E404, E405, E406, E407, E407a en E160a(iv).

2.

Voor het toezicht op levensmiddelen zouden de in Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie (7) vastgestelde bemonsteringsprocedures moeten worden gevolgd om te waarborgen dat de monsters representatief zijn voor de bemonsterde partij.

3.

Het toezicht op diervoeders zou moeten worden verricht volgens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (8).

4.

De analysen zouden moeten worden verricht volgens bijlage III bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (9) door gebruik te maken van een analysemethode waarvan is bewezen dat zij betrouwbare resultaten oplevert.

5.

De analyse van kwik zou bij voorkeur moeten worden verricht door het gehalte methylkwik en totaal kwik vast te stellen, en de analyse van arseen zou moeten worden verricht door het gehalte anorganisch arseen en totaal arseen en, indien mogelijk, andere relevante arseenspecies vast te stellen.

6.

Er zou melding moeten worden gemaakt van de soorten of de nummers van de additieven, en of verse, gedroogde of verwerkte producten zijn geanalyseerd. Indien mogelijk, zou ook melding moeten worden gemaakt van de oorsprong van de producten (in het wild of gekweekt), de datum en plaats van oogsten, welk deel van het zeewier is geanalyseerd en mogelijke informatie op het etiket van het eindproduct.

7.

De toezichtsgegevens zouden op regelmatige basis bij de EFSA moeten worden ingediend, met de door de EFSA voorgeschreven informatie en in de door haar gewenste elektronische vorm, zodat zij in één databank kunnen worden samengevoegd.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2018.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1) Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(2) Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(3) Tolerable upper intake levels for vitamins and minerals — Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding — Panel voor dieetproducten, voeding en allergieën. Februari 2006, http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/efsa_rep/blobserver_assets/ndatolerableuil.pdf

(4) Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie van 9 maart 2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven (PB L 83 van 22.3.2012, blz. 1).

(5) Re-evaluation of agar (E406) as a food additive. EFSA Journal 2016;14(12):4645.

(6) Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10).

(7) Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie van 28 maart 2007 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de controle op de gehalten aan sporenelementen en procescontaminanten in levensmiddelen (PB L 88 van 29.3.2007, blz. 29).

(8) Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (PB L 54 van 26.2.2009, blz. 1).

(9) Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).


Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving