Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.2-6-11

VERORDENING (EU) Nr. 1275/2013 VAN DE COMMISSIE

van 6 december 2013

tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten voor arseen, cadmium, lood, nitrieten, vluchtige mosterdolie en schadelijke botanische verontreinigingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (1), en met name artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/32/EG verbiedt het gebruik van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen de in bijlage I bij die richtlijn vermelde maximumgehalten overschrijdt.

(2)

Sommige formuleringen met langdurige afgifte voor aanvullende diervoeders met bijzonder voedingsdoel en met een hoge concentratie sporenelementen bevatten onvermijdelijk hoeveelheden arseen, cadmium of lood die hoger zijn dan de maximumgehalten die zijn vastgesteld voor deze zware metalen in aanvullende diervoeders. Hogere maximumgehalten voor deze zware metalen in formuleringen met langdurige afgifte vormen echter geen risico voor de diergezondheid, de volksgezondheid of het milieu, omdat de blootstelling van de dieren aan de zware metalen door het gebruik van deze specifieke formuleringen met langdurige afgifte beduidend lager is dan bij andere aanvullende diervoeders die sporenelementen bevatten. Het is daarom aangewezen hogere maximumgehalten voor die zware metalen vast te stellen voor dergelijke formuleringen met langdurige afgifte die hoge concentraties sporenelementen bevatten.

(3)

Uit de ontvangen gegevens blijkt dat het gehalte aan arseen in het toevoegingsmiddel voor diervoeders ijzer(II)carbonaat na een verandering van productiegebied in sommige gevallen het huidige maximumgehalte overschrijdt. Teneinde de voorziening van de Europese markt met ijzer(II)carbonaat te garanderen, moet het maximumgehalte aan arseen in ijzer(II)carbonaat worden verhoogd. Deze verhoging heeft geen schadelijke gevolgen voor de diergezondheid, de volksgezondheid of het milieu, omdat het maximumgehalte aan arseen voor aanvullende diervoeders en volledige diervoeders ongewijzigd blijft.

(4)

Het referentielaboratorium van de Europese Unie voor zware metalen in diervoeders en levensmiddelen (EURL-HM) heeft onlangs vastgesteld dat het gebruik van verschillende gangbare extractiemethoden voor het bepalen van lood in kaoliniethoudende klei en in diervoeders die kaoliniethoudende klei bevatten, leidt tot aanzienlijk verschillen in de resultaten van de analyse (2). Voorheen werden bij gebruik van verschillende extractiemethoden geen aanzienlijke verschillen in de gehalten aan zware metalen in minerale diervoeders vastgesteld (3). De maximumgehalten voor zware metalen in diervoeders hebben betrekking op een analytische bepaling van lood, waarbij de extractie gedurende 30 minuten op kooktemperatuur in salpeterzuur (5 % m/m) wordt uitgevoerd. Daarom moet worden voorzien in het gebruik van die extractiemethode voor de bepaling van lood in kaoliniethoudende klei.

(5)

Voor producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van zetmeelproductie is momenteel geen maximumgehalte aan nitriet van toepassing. Gezien de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis, moet hetzelfde ook gelden voor producten en bijproducten van de productie van alcoholische dranken.

(6)

Gezien de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis moet het maximumgehalte voor vluchtige mosterdolie in Camelina sativa en daarvan afgeleide producten worden vastgesteld op hetzelfde niveau als het maximumgehalte voor koolzaadkoeken.

(7)

De species Brassica zijn wegens hun hoge gehalte aan vluchtige mosterdolie (uitgedrukt als allylisothiocyanaat) opgenomen als schadelijke botanische verontreinigingen. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies betreffende glucosinolaten (allylisothiocyanaat) als ongewenste stoffen in diervoeders (4) geconcludeerd dat schadelijke effecten voor de dieren doorgaans verband houden met de totale hoeveelheid glucosinolaten in de voeding. Bij het meten van de totale hoeveelheid glucosinolaten zouden ook verontreinigingen aan het licht komen die worden veroorzaakt door de aanwezigheid van producten van Brassica juncea ssp., Brassica nigra en Brassica carinata. De producten van deze species, met uitzondering van de zaden ervan, moeten daarom worden geschrapt uit afdeling VI van bijlage I inzake schadelijke botanische verontreinigingen en voor van deze Brassica species afgeleide voedermiddelen moet hetzelfde maximumgehalte aan vluchtige mosterdolie vastgesteld worden als voor koolzaadkoeken.

(8)

Het is aangewezen de benamingen voor voedermiddelen te gebruiken uit Verordening (EU) nr. 68/2013 van de Commissie van 16 januari 2013 betreffende de catalogus van voedermiddelen (5).

(9)

Richtlijn 2002/32/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 december 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(2)  Determination of extractable and total lead in kaolinitic clay. Technische ondersteuning van het directoraat-generaal Gezondheid en Consumenten door het EURL-HM — JRC 69122 — Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek — Instituut voor referentiematerialen en metingen.

(3)  IMEP-111: Total cadmium, lead, arsenic, mercury and copper and extractable cadmium and lead in mineral feed. Report of the eleventh interlaboratory comparison organised by the European Union Reference Laboratory for heavy metals in Feed and Food. — EUR 24758 EN — Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek — Instituut voor referentiematerialen en metingen.

(4)  Opinion of the Scientific Panel on Contaminants in the Food Chain on a request from the European Commission on glucosinolates as undesirable substances in animal feed, EFSA Journal (2008) 590, 1-76.

(5)  PB L 29 van 30.1.2013, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt 1 van afdeling I, „Arseen”, wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„1.

Arseen (1)

Voedermiddelen

2

met uitzondering van:

 

gemalen grasmeel, luzernemeel en klavermeel alsmede al dan niet gemelasseerde gedroogde suikerbietenpulp;

4

palmpitschilfers;

4 (2)

fosfaten en koolzure algenkalk;

10

calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10)

15

magnesiumoxide; magnesiumcarbonaat;

20

vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten;

25 (2)

gemalen gedroogd zeewier en voedermiddelen op basis van zeewier.

40 (2)

Als tracer gebruikte ijzerpartikels.

50

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

30

met uitzondering van:

 

koper(II)sulfaat-pentahydraat; koper(II)carbonaat; dikoperchloridetrihydroxide; ijzer(II)carbonaat;

50

zinkoxide; mangaanoxide; koperoxide.

100

Aanvullende diervoeders

4

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders;

12

aanvullende diervoeders voor gezelschapsdieren die vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten en/of gemalen gedroogd zeewier en van zeewier afgeleide voedermiddelen bevatten;

10 (2)

formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders.

30

Volledige diervoeders

2

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor vis en pelsdieren;

10 (2)

volledige diervoeders voor gezelschapsdieren die vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten en/of gemalen gedroogd zeewier en van zeewier afgeleide voedermiddelen bevatten.

10 (2)”

2)

Punt 2 van afdeling I, „Cadmium”, wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„2.

Cadmium

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

1

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong

2

Voedermiddelen van minerale oorsprong

2

met uitzondering van:

 

fosfaten.

10

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

10

met uitzondering van:

 

koper(II)oxide, mangaan(II)oxide, zinkoxide en mangaan(II)sulfaat-monohydraat.

30

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

2

Voormengsels (6)

15

Aanvullende diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders

 

– –

bevattende < 7 % fosfor (8)

5

– –

bevattende ≥ 7 % fosfor (8)

0,75 per 1 % fosfor (8), met een maximum van 7,5

aanvullende diervoeders voor gezelschapsdieren.

2

formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders;

15

Volledige diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren), geiten (met uitzondering van geitenlammeren) en vis;

1

volledige diervoeders voor gezelschapsdieren.

2”

3)

Punt 4 van afdeling I, „Lood”, wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„4.

Lood (1)

Voedermiddelen

10

met uitzondering van:

 

groenvoeder (3);

30

fosfaten en koolzure algenkalk;

15

calciumcarbonaat; koolzure magnesiavoederkalk (calciummagnesiumcarbonaat) (10);

20

gist.

5

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

100

met uitzondering van:

 

zinkoxide;

400

mangaan(II)oxide, ijzer(II)carbonaat, koper(II)carbonaat.

200

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

30

met uitzondering van:

 

clinoptiloliet van vulkanische oorsprong; natroliet-fonoliet;

60

Voormengsels (6)

200

Aanvullende diervoeders

10

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders;

15

formuleringen met langdurige afgifte voor diervoeders met bijzonder voedingsdoel en een concentratie sporenelementen die meer dan honderd keer hoger is dan het vastgestelde maximumgehalte voor volledige diervoeders;

60

Volledige diervoeders.

5

4)

Punt 6 van afdeling I, „Nitriet”, wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„6.

Nitriet (5)

Voedermiddelen

15

met uitzondering van:

 

vismeel;

30

kuilvoeder;

producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van de productie van zetmeel en alcoholische dranken.

Volledige diervoeders

15

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor honden en katten met een vochtgehalte van meer dan 20 %.

—”

5)

Punt 5 van afdeling III, „Vluchtige mosterdolie”, wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„5.

Vluchtige mosterdolie (1)

Voedermiddelen

100

met uitzondering van:

 

Vlashuttentutzaad en daarvan afgeleide producten (2), producten afgeleid van mosterdzaad (2), koolzaad en daarvan afgeleide producten.

4 000

Volledige diervoeders

150

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren) en geiten (met uitzondering van geitenlammeren);

1 000

volledige diervoeders voor varkens (met uitzondering van biggen) en pluimvee.

500

6)

Afdeling VI, „Schadelijke botanische verontreinigingen”, wordt vervangen door:

„AFDELING VI: SCHADELIJKE BOTANISCHE VERONTREINIGINGEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Onkruidzaden en niet gemalen of verpulverde vruchten die alkaloïden, glucosiden of andere giftige stoffen bevatten, afzonderlijk of tezamen, waaronder:

Voedermiddelen en mengvoeders

3 000

Datura sp.

 

1 000

2.

Crotalaria spp.

Voedermiddelen en mengvoeders

100

3.

Zaden en doppen van Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L., alsook de door verwerking ervan verkregen bijproducten (3), afzonderlijk of tezamen

Voedermiddelen en mengvoeders

10 (4)

4.

Beuk, ongeschilde zaden — Fagus sylvatica L.

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden en vruchten en de door verwerking ervan verkregen bijproducten mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald.

5.

Purgeernoot — Jatropha curcas L.

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden en vruchten en de door verwerking ervan verkregen bijproducten mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald.

6.

Zaden van Ambrosia spp.

Voedermiddelen

50

met uitzondering van

 

gierst (granen van Panicum miliaceum L.) en sorghum (granen of Sorghum bicolor (L) Moench s.l.), niet rechtstreeks vervoederd aan dieren

200

Mengvoeders die ongemalen granen en zaden bevatten

50

7.

Zaden van

Indische bruine mosterd - Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. integrifolia (West) Thell.

Sareptamosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea

Chinese mosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea var. lutea Batalin

Zwarte mosterd — Brassica nigra (L.) Koch

Ethiopische mosterd — Brassica carinata A. Braun

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald.


(1)  Voor de bepaling van lood in kaoliniethoudende klei en in diervoeders die kaoliniethoudende klei bevatten, hebben de maximumgehalten betrekking op een analytische bepaling van lood, waarbij de extractie gedurende 30 minuten op kooktemperatuur in salpeterzuur (5 % m/m) wordt uitgevoerd. Er kunnen gelijkwaardige extractieprocedures worden toegepast, waarvoor kan worden aangetoond dat de gebruikte extractieprocedure een gelijke extractie-efficiëntie heeft.”.

(2)  Op verzoek van de bevoegde autoriteiten moet de verantwoordelijke exploitant een analyse verrichten om aan te tonen dat het totale gehalte aan glucosinolaten lager is dan 30 mmol/kg. De referentieanalysemethode is EN-ISO 9167-1:1995.”.

(3)  Voor zover door analytische microscopie bepaalbaar.

(4)  Omvat ook zaaddopfragmenten.”.


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving