Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.3-2.434

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1559 VAN DE COMMISSIE

van 17 oktober 2018

tot verlening van een vergunning voor tinctuur van komijn (Cuminum cyminum L.) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003.

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is een aanvraag ingediend voor de verlening van een vergunning voor tinctuur van komijn (Cuminum cyminum L.) als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd. De aanvrager heeft gevraagd het toevoegingsmiddel in de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” in te delen.

(3)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 17 april 2018 (2) geconcludeerd dat tinctuur van komijn (Cuminum cyminum L.) onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor het milieu en de gezondheid van mens en dier heeft. De EFSA heeft geconcludeerd dat, aangezien komijnzaad algemeen wordt gebruikt als aroma in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeders in wezen dezelfde is als in levensmiddelen, de doeltreffendheid ervan niet meer hoeft te worden aangetoond. Die conclusie kan daarom worden geëxtrapoleerd tot diervoeders. Wat de veiligheid van het toevoegingsmiddel voor gebruikers betreft, heeft EFSA ook opgemerkt dat bij gebruik irritatie van de huid/de ogen niet kan worden uitgesloten. Het toevoegingsmiddel bevat bovendien een aantal verbindingen die allergische reacties bij gevoelige personen kunnen veroorzaken. Daarom kan zich sensibilisatie voordoen. Bijgevolg moeten passende beschermende maatregelen worden genomen.

(4)

Specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium is ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van dit toevoegingsmiddel blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Er moet daarom een vergunning worden verleend voor het gebruik van dit toevoegingsmiddel zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening.

(6)

De aanvrager heeft de EFSA gebruiksconcentraties voor de betrokken stoffen voorgesteld. Wat dat voorstel betreft, is de EFSA van oordeel dat bepaalde gebruiksconcentraties veilig zijn. Met het oog op officiële controles doorheen de voedselketen moet het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel voor diervoeding.

(7)

Het feit dat de betrokken stof niet in drinkwater mag worden gebruikt, sluit het gebruik ervan in via water toegediende mengvoeders niet uit.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlening van een vergunning

Voor de in de bijlage gespecificeerde stof, die behoort tot de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 oktober 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2) EFSA Journal 2018;16(5):5273.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

ml werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen

2b161

Tinctuur van komijn

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Tinctuur van komijn van Cuminum cyminum L.

Karakterisering van de werkzame stof

Tinctuur van zaden van Cuminum cyminum L. zoals gedefinieerd door de Raad van Europa (1).

98 ± 0,5 % van een mengsel van water en ethanol (3:1, v/v);

2 ± 0,5 % van plantaardige verbindingen;

totaal flavonoïden ≤ 300 ppm;

totaal polyfenolen ≤ 560 ppm;

totaal p-menth-3-en-7-al ≤ 8 ppm;

fytochemische marker: 4-iso-propylbenzaldehyde (cuminaldehyde): 25 ± 5 ppm.

Vloeibare vorm

CoE nr. 161

Analysemethode (2)

Voor de kwantificering van de fytochemische marker (4-iso-propylbenzaldehyde) in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: gaschromatografie in combinatie met vlamionisatiedetectie (GC-FID)

Alle diersoorten

 

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslagomstandigheden en de stabiliteit bij warmtebehandeling worden vermeld.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 0,03 ml/kg diervoeder”.

4.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inademing of contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden geëlimineerd of tot een minimum beperkt, moeten bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en handschoenen.

7 november 2028


(1) Natural sources of flavourings — Verslag nr. 2 (2007)

(2) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving