Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.3-2.415

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/249 VAN DE COMMISSIE

van 15 februari 2018

tot verlening van een vergunning voor taurine, β-alanine, L-alanine, L-arginine, L-asparaginezuur, L-histidine, D,L-isoleucine, L-leucine, L-fenylalanine, L-proline, D,L-serine, L-tyrosine, L-methionine, L-valine, L-cysteïne, glycine, mononatriumglutamaat en L-glutaminezuur als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten en L-cysteïnehydrochloride-monohydraat voor alle soorten met uitzondering van katten en honden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor de stoffen taurine, β-alanine, L-alanine, L-arginine, L-asparaginezuur, L-histidine, D,L-isoleucine, L-leucine, L-fenylalanine, L-proline, D,L-serine, L-tyrosine, L-methionine, L-valine, L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat, glycine, mononatriumglutamaat en L-glutaminezuur (hierna „de betrokken stoffen” genoemd) is bij Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn die stoffen vervolgens in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen als bestaande producten.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 daarvan is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van de betrokken stoffen als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten voor zover zij middels fermentatie, hydrolyse van eiwitten of chemische synthese zijn geproduceerd. De aanvrager heeft gevraagd deze toevoegingsmiddelen in de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij de aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 9 april 2014 (3) geconcludeerd dat de betrokken stoffen onder de voorgestelde voorwaarden voor gebruik geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de gezondheid van de mens of het milieu hebben. Door een gebrek aan informatie over de productiestammen kunnen geen conclusies worden getrokken over de veiligheid van de betrokken stoffen voor zover zij middels fermentatie zijn geproduceerd. De EFSA heeft geconcludeerd dat, aangezien de betrokken stoffen doeltreffend zijn bij gebruik als aroma in levensmiddelen en de functie ervan in diervoeders in wezen dezelfde is als in levensmiddelen, de doeltreffendheid ervan niet meer hoeft te worden aangetoond. Deze conclusie kan bijgevolg worden geëxtrapoleerd naar diervoeding. De aanvrager heeft de aanvraag voor het gebruik van de betrokken stoffen in drinkwater ingetrokken.

(5)

De EFSA heeft tevens geconcludeerd dat de betrokken stoffen bij gebrek aan gegevens als irriterend voor de huid en de ogen en als huidallergeen moeten worden beschouwd. De Autoriteit heeft ook geconcludeerd dat de betrokken stoffen irriterend zijn voor de ademhalingswegen en gevaarlijke stofdeeltjes kunnen produceren. Bijgevolg moeten passende beschermende maatregelen worden genomen. De EFSA acht specifieke voorschriften voor toezicht na het in de handel brengen niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(6)

Uit de beoordeling van de betrokken stoffen blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan, behalve voor de betrokken stoffen die middels fermentatie worden geproduceerd. Door een gebrek aan informatie over de productiestammen kan de veiligheid van de betrokken stoffen niet worden beoordeeld. Het gebruik van de betrokken stoffen, voor zover zij middels chemische synthese en hydrolyse van eiwitten zijn geproduceerd, moet daarom worden toegestaan zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening.

(7)

De aanvrager heeft gebruiksconcentraties voor de betrokken stoffen voorgesteld aan de Autoriteit. Rekening houdend met dat voorstel was de Autoriteit van oordeel dat bepaalde gebruiksconcentraties veilig zijn („door de Autoriteit onderzochte gebruiksconcentraties”). Met het oog op de officiële controles doorheen de voedselketen moeten bepaalde etiketteringsvoorschriften worden vastgesteld. Met name wanneer de gebruikte concentraties de door de Autoriteit onderzochte gebruiksconcentraties overschrijden, is het passend te vereisen dat op het etiket van voormengsels en de etikettering van voedermiddelen en mengvoeders die de betrokken stoffen bevatten, bepaalde gegevens worden vermeld, met inbegrip van de door de Autoriteit onderzochte concentraties.

(8)

Het feit dat het gebruik van de betrokken stoffen in drinkwater niet toegestaan is, sluit het gebruik ervan in mengvoeders die via water wordt toegediend niet uit.

(9)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stoffen vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Vergunningverlening

Voor de in de bijlage beschreven stoffen, die behoren tot de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „aromatische stoffen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

1. De stoffen taurine, β-alanine, L-alanine, L-arginine, L-asparaginezuur, L-histidine, D,L-isoleucine, L-leucine, L-fenylalanine, L-proline, D,L-serine, L-tyrosine, L-methionine, L-valine, L-cysteïne, L-cysteïnehydrochloride-monohydraat, glycine, mononatriumglutamaat en L-glutaminezuur, die behoren tot de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „aromatische stoffen” en de voormengsels die deze stoffen bevatten en die vóór 15 december 2018 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 15 maart 2018 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

2. De voedermiddelen en mengvoeders die de in lid 1 vermelde stoffen bevatten en die vóór 15 september 2019 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 15 maart 2018 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.

3. De voedermiddelen en mengvoeders die de in lid 1 vermelde stoffen bevatten en die vóór 15 september 2020 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 15 maart 2018 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput, wanneer zij bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 februari 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2) Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3) EFSA Journal 2014;12(5):3670.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen

2b16056

Taurine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Taurine

Karakterisering van de werkzame stof

Taurine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C2H7O3NS

CAS-nr. 107-35-7

Flavis-nr.: 16.056

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van taurine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van taurine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie (2) (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17001

β-alanine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Β-alanine

Karakterisering van de werkzame stof

Β-alanine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 97 %

Chemische formule: C3H7O2N

CAS-nr. 107-95-9

Flavis-nr.: 17.001

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van β-alanine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van β-alanine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17002

L-alanine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-alanine

Karakterisering van de werkzame stof

L-alanine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98,5 %

Chemische formule: C3H7NO2

CAS-nr. 56-41-7

Flavis-nr.: 17.002

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-alanine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-alanine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17003

L-arginine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-arginine

Karakterisering van de werkzame stof

L-arginine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C6H14O2N4

CAS-nr. 74-79-3

Flavis-nr.: 17.003

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-arginine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-arginine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17005

L-asparaginezuur

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-asparaginezuur

Karakterisering van de werkzame stof

L-asparaginezuur

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C4H7O4N

CAS-nr. 56-84-8

Flavis-nr.: 17.005

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-asparaginezuur in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-asparaginezuur in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17008

L-histidine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-histidine

Karakterisering van de werkzame stof:

L-histidine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C6H9O2N3

CAS-nr. 71-00-1

Flavis-nr.: 17.008

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-histidine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-histidine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17010

D,L-isoleucine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

D,L-isoleucine

Karakterisering van de werkzame stof

D,L-isoleucine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C6H13O2N

CAS-nr. 443-79-8

Flavis-nr.: 17.010

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van D,L-isoleucine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van D,L-isoleucine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17012

L-leucine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-leucine

Karakterisering van de werkzame stof

L-leucine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C6H13O2N

CAS-nr. 61-90-5

Flavis-nr.: 17.012

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-leucine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-leucine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17018

L-fenylalanine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-fenylalanine

Karakterisering van de werkzame stof

L-fenylalanine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C9H11O2N

CAS-nr. 63-91-2

Flavis-nr.: 17.018

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-fenylalanine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-fenylalanine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17019

L-proline

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-proline

Karakterisering van de werkzame stof

L-proline

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C5H9O2N

CAS-nr. 147-85-3

Flavis-nr.: 17.019

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-proline in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-proline in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17020

D,L-serine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

D,L-serine

Karakterisering van de werkzame stof

D,L-serine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 95 %

Chemische formule: C3H7NO3

CAS-nr. 302-84-1

Flavis-nr.: 17.020

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van D,L-serine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van D,L-serine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17022

L-tyrosine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-tyrosine

Karakterisering van de werkzame stof

L-tyrosine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C9H11O3N

CAS-nr. 60-18-4

Flavis-nr.: 17.022

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-tyrosine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-tyrosine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17027

L-methionine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-methionine

Karakterisering van de werkzame stof

L-methionine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98,5 %

Chemische formule: C5H11NO2S

CAS-nr. 63-68-3

Flavis-nr.: 17.027

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-methionine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-methionine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17028

L-valine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-valine

Karakterisering van de werkzame stof

L-valine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98,5 %

Chemische formule: C5H11NO2

CAS-nr. 72-18-4

Flavis-nr.: 17.028

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-valine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-valine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17033

L-cysteïne

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-cysteïne

Karakterisering van de werkzame stof

L-cysteïne

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C3H7O2NS

CAS-nr. 52-90-4

Flavis-nr.: 17.033

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-cysteïne in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-cysteïne in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b920

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat

Karakterisering van de werkzame stof

L-cysteïnehydrochloride-monohydraat

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98,5 %

Chemische formule: C3H8ClNO2SH2O

CAS-nr. 7048-04-6

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-cysteïnehydrochloride-monohydraat in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-cysteïnehydrochloride-monohydraat in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten met uitzondering van katten en honden

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg voor alle soorten met uitzondering van katten en honden.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan: 25 mg/kg voor alle soorten met uitzondering van katten en honden.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b17034

Glycine

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Glycine

Karakterisering van de werkzame stof

Glycine

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C2H5O2N

CAS-nr. 56-40-6

Flavis-nr.: 17.034

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van glycine in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van glycine in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

20 g/kg voor katten en honden;

25 g/kg voor andere soorten en categorieën.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentraties.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan:

20 g/kg voor katten en honden;

25 g/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b621

Mononatriumglutamaat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Mononatriumglutamaat

Karakterisering van de werkzame stof

Mononatriumglutamaat

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 99 %

Chemische formule: C5H8NaNO4H2O

CAS-nr. 142-47-2

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van mononatriumglutamaat in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van mononatriumglutamaat in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028

2b620

L-glutaminezuur

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

L-glutaminezuur

Karakterisering van de werkzame stof

L-glutaminezuur

Geproduceerd door chemische synthese of hydrolyse van eiwitten

Zuiverheid: ten minste 98 %

Chemische formule: C5H9O4N

CAS-nr. 56-86-0

Analysemethode (1)

Voor het identificeren van L-glutaminezuur in aromatische voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) (Ph.Eur. 6.6-2.2.56-Method 1).

Voor de bepaling van L-glutaminezuur in voormengsels: ionenwisselingschromatografie met nakolomsderivatisering (ninhydrine) en fotometrische detectie: op basis van Verordening (EG) nr. 152/2009 (deel F van bijlage III).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %: 25 mg/kg.”.

4.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van het voormengsel indien de op het etiket van het voormengsel voorgestelde gebruiksconcentraties zouden leiden tot een overschrijding van de in punt 3 vermelde concentratie.

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op de etikettering van de voedermiddelen en mengvoeders indien het gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % meer bedraagt dan 25 mg/kg.

6.

Voor toevoegingsmiddelen die zijn geproduceerd door hydrolyse van dierlijke eiwitten moet(moeten) de diersoort(diersoorten) worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel en de voormengsels.

7.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen voor het omgaan met mogelijke gevaren bij inhalering, contact met de huid of contact met de ogen. Indien die risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, moeten bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en veiligheidshandschoenen.

15.3.2028


(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn beschikbaar op het volgende adres van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports

(2) Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (PB L 54 van 26.2.2009, blz. 1).


Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving