Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.3-2.350

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/59 VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2016

betreffende vergunningen voor 1,1-dimethoxy-2-fenylethaan, fenethylformiaat, fenethyloctanoaat, fenethylisobutyraat, fenethyl 2-methyl-butyraat en fenethylbenzoaat als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1831/2003 voorziet in vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding en in de redenen en procedures voor het verlenen van dergelijke vergunningen. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor 1,1-dimethoxy-2-fenylethaan, fenethylformiaat, fenethyloctanoaat, fenethylisobutyraat, fenethyl 2-methyl-butyraat en fenethylbenzoaat („de betrokken stoffen”) is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn die producten vervolgens in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen als bestaande producten.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van de betrokken stoffen als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten. De aanvrager heeft gevraagd die toevoegingsmiddelen in de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” in te delen. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste nadere gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 7 maart 2012 (3) geconcludeerd dat de betrokken stoffen onder de voorgestelde voorwaarden voor gebruik in diervoeding geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu hebben. De EFSA heeft ook geconcludeerd dat de functie van de betrokken stoffen in diervoeding vergelijkbaar is met de functie ervan in levensmiddelen. De EFSA heeft al geconcludeerd dat die stoffen voor levensmiddelen werkzaam zijn omdat ze levensmiddelen geuriger of smakelijker maken. Daarom kan ervan worden uitgegaan dat die conclusie ook voor diervoeder geldt. Omdat het gebruik van de betrokken stoffen in drinkwater moeilijk te controleren is wanneer ze tegelijkertijd met diervoeder worden gebruikt, moet dat gebruik worden uitgesloten. Die stoffen kunnen echter wel worden gebruikt in mengvoeders die vervolgens via water worden toegediend.

(5)

Er moeten beperkingen en voorwaarden worden vastgesteld om een betere controle mogelijk te maken. Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de vaststelling van een maximumgehalte vereisen en rekening houdend met de herbeoordeling door de EFSA, moeten de aanbevolen gehalten worden vermeld op het etiket van het toevoegingsmiddel. Indien deze gehalten worden overschreden, moet bepaalde informatie worden vermeld op het etiket van voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen.

(6)

De EFSA heeft geconcludeerd dat de betrokken stoffen als irriterende stoffen voor de ogen en de ademhalingswegen en als sensibiliserende stoffen voor de huid worden beschouwd en schadelijk zijn wanneer ze worden ingeslikt. Daarom moeten passende beschermende maatregelen worden genomen. De EFSA vindt niet dat er behoefte is aan specifieke eisen voor monitoring na het in de handel brengen. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor de toevoegingsmiddelen in diervoeding geverifieerd, dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 opgerichte referentielaboratorium is ingediend.

(7)

Uit de beoordeling van de betrokken stoffen blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 voor het verlenen van een vergunning. Het in de bijlage bij deze verordening gespecificeerde gebruik van die stoffen moet daarom worden toegestaan.

(8)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden voor de betrokken stoffen vereisen, moet in een overgangsperiode worden voorzien waarin de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Vergunning

Voor de in de bijlage gespecificeerde stoffen, die behoren tot de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „aromatische stoffen”, wordt een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddelen voor diervoeding verleend onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

1.   De in de bijlage gespecificeerde stoffen en voormengsels met die stoffen die vóór 6 augustus 2017 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 6 februari 2017 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt tot de bestaande voorraden zijn uitgeput.

2.   Mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde stoffen bevatten en die vóór 6 februari 2018 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 6 februari 2017 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt tot de bestaande voorraden zijn uitgeput, als ze bestemd zijn voor voedselproducerende dieren.

3.   Mengvoeders en voedermiddelen die de in de bijlage gespecificeerde stoffen bevatten en die vóór 6 februari 2019 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 6 februari 2017 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt tot de bestaande voorraden zijn uitgeput, als ze bestemd zijn voor niet-voedselproducerende dieren.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 december 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  EFSA Journal 2012;10(3):2625.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunning-houder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Andere bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg werkzame stof/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

(9)

Categorie: sensoriële toevoegingsmiddelen. Functionele groep: aromatische stoffen.

2b06006

1,1-dimethoxy-2-fenylethaan

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

1,1-dimethoxy-2-fenylethaan

Karakterisering van de werkzame stof

1,1-dimethoxy-2-fenylethaan

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 95 %

Chemische formule: C10H14O2

CAS-nr.: 101-48-4

Flavis-nr.: 06.006

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van 1,1-dimethoxy-2-fenylethaan in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten op het etiket van voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders worden vermeld, als de volgende gehalten van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % worden overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met behulp van dergelijke procedures en maatregelen niet kunnen worden vermeden of tot een minimum beperkt, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels worden gebruikt, zoals ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027

2b09083

Fenethylformiaat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Fenethylformiaat

Karakterisering van de werkzame stof

Fenethylformiaat

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 96 %

Chemische formule: C9H10O2

CAS-nr.: 104-62-1

Flavis-nr.: 09.083

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van fenethylformiaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten op het etiket van voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders worden vermeld, als de volgende gehalten van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % worden overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met behulp van dergelijke procedures en maatregelen niet kunnen worden vermeden of tot een minimum beperkt, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels worden gebruikt, zoals ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027

2b09262

fenethyloctanoaat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

fenethyloctanoaat

Karakterisering van de werkzame stof

fenethyloctanoaat

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 98 %

Chemische formule: C16H24O2

CAS-nr.: 5457-70-5

Flavis-nr.: 09.262

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van fenethyloctanoaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten op het etiket van voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders worden vermeld, als de volgende gehalten van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % worden overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met behulp van dergelijke procedures en maatregelen niet kunnen worden vermeden of tot een minimum beperkt, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels worden gebruikt, zoals ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027

2b09427

Fenethylisobutyraat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Fenethylisobutyraat

Karakterisering van de werkzame stof

Fenethylisobutyraat

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 98 %

Chemische formule: C12H16O2

CAS-nr.: 103-48-0

Flavis-nr.: 09.427

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van fenethylisobutyraat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten op het etiket van voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders worden vermeld, als de volgende gehalten van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % worden overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027

2b09538

Fenethyl 2-methylbutyraat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Fenethyl 2-methylbutyraat

Karakterisering van de werkzame stof

Fenethyl 2-methylbutyraat

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 95 %

Chemische formule: C13H18O2

CAS-nr.: 24817-51-4

Flavis-nr.: 09.538

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van fenethyl 2-methylbutyraat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten op het etiket van voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders worden vermeld, als de volgende gehalten van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % worden overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met deze procedures en maatregelen niet kunnen worden uitgebannen of tot een minimum kunnen worden teruggebracht, worden bij de toepassing van het toevoegingsmiddel en de voormengsels persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt, waaronder ademhalingsbescherming, veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027

2b09774

Fenethylbenzoaat

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Fenethylbenzoaat

Karakterisering van de werkzame stof

Fenethylbenzoaat

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheid: minimaal 98 %

Chemische formule: C15H14O2

CAS-nr.: 94-47-3

Flavis-nr.: 09.774

Analysemethoden  (1)

Voor het identificeren van fenethylbenzoaat in het toevoegingsmiddel voor diervoeding en in aromatische voormengsels:

gaschromatografie-massaspectrometrie met retentietijdvergrendeling (GC-MS-RTL).

Alle diersoorten

1.

Het toevoegingsmiddel moet als voormengsel in het diervoeder worden verwerkt.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels moeten de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden worden aangegeven.

3.

Het aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof bedraagt:

voor varkens en pluimvee: 1 mg/kg, en voor andere soorten en categorieën: 1,5 mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

4.

Op het etiket van het toevoegingsmiddel moet het volgende worden vermeld:

„Aanbevolen maximumgehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.”

5.

De functionele groep, het identificatienummer, de naam en de toegevoegde hoeveelheid van de werkzame stof moeten worden vermeld op het etiket van de voormengsels, voedermiddelen en mengvoeders indien het volgende gehalte van de werkzame stof in volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 % wordt overschreden:

1 mg/kg voor varkens en pluimvee;

1,5 mg/kg voor andere soorten en categorieën.

6.

Voor gebruikers van het toevoegingsmiddel en voormengsels moeten de exploitanten van diervoederbedrijven operationele procedures en organisatorische maatregelen vaststellen om mogelijke risico's bij inhalering en contact met de huid of de ogen te voorkomen. Indien de risico's met behulp van dergelijke procedures en maatregelen niet kunnen worden vermeden of tot een minimum beperkt, moeten persoonlijke beschermingsmiddelen bij het gebruik van het toevoegingsmiddel en de voormengsels worden gebruikt, zoals ademhalingsbescherming, een veiligheidsbril en -handschoenen.

6 februari 2027


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: https://ec.europa.eu/jrc/en/eurl/feed-additives/evaluation-reports


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving