Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Arrow
Arrow
Slider

2.7-1.7

VERORDENING (EU) 2016/1396 VAN DE COMMISSIE

van 18 augustus 2016

tot wijziging van bepaalde bijlagen bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 23, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn voorschriften vastgesteld inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij runderen, schapen en geiten. Die verordening is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

(2)

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat de criteria op basis waarvan de BSE-status van landen of gebieden wordt bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 2, van die verordening. Die criteria zijn gebaseerd op de voorwaarden die zijn beschreven in het hoofdstuk over boviene spongiforme encefalopathie (BSE) van de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

(3)

In mei 2015 heeft de World Assembly of Delegates van de OIE het hoofdstuk over BSE in haar gezondheidscode voor landdieren gewijzigd door de toevoeging van de volgende zin in artikel 11.4.1: „Bij de toekenning van de officiële BSE-risicostatus wordt” atypische BSE „buiten beschouwing gelaten omdat ervan wordt uitgegaan dat deze ziekte bij alle runderpopulaties spontaan en in zeer kleine mate voorkomt (2).” Voor de toepassing van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet atypische BSE derhalve van de definitie van „BSE” worden uitgesloten.

(4)

Bijlagen III, V en VII bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevatten een aantal verwijzingen naar Richtlijn 64/433/EEG van de Raad (3), Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad (4) en Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie (5). Aangezien die drie handelingen zijn ingetrokken, moeten de verwijzingen in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden bijgewerkt.

(5)

De specifieke voorschriften van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal van runderen van oorsprong uit een lidstaat met een verwaarloosbaar BSE-risico, zijn gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/1162 van de Commissie (6). Als gevolg van deze wijziging moeten enkele bepalingen van bijlagen V en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 die betrekking hebben op de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal, eveneens worden gewijzigd, zoals hieronder nader beschreven.

(6)

Ten eerste worden, overeenkomstig de bij Verordening (EU) 2015/1162 aangebrachte wijziging in de in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 opgenomen specifieke vereisten voor lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico, de amandelen niet langer omschreven als gespecificeerd risicomateriaal voor runderen van oorsprong uit een lidstaat met een verwaarloosbaar BSE-risico. De dwarse snede rostraal van de processus lingualis van het basihyoid voor tongen van runderen, die overeenkomstig bijlage V, punt 7, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 is vereist, moet daarom alleen van toepassing zijn op runderen van oorsprong uit een lidstaat met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico. Punt 7 van die bijlage V moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Ten tweede wordt, overeenkomstig de bij Verordening (EU) 2015/1162 aangebrachte wijziging in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001, de wervelkolom slechts voor een minderheid van de runderen in de Unie omschreven als gespecificeerd risicomateriaal. Rekening houdend met de ontwikkeling van de epidemiologische situatie in de Unie en de noodzaak om de administratieve last voor de exploitanten te beperken, moet het in bijlage V, punt 11.3, onder a), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 opgenomen vereiste om op het etiket van de karkassen informatie te verstrekken over de verwijdering van de wervelkolom, als volgt worden gewijzigd: waar tot dusverre, wanneer de verwijdering van de wervelkolom niet is vereist, een blauwe streep moet worden aangebracht op het etiket van de runderkarkassen of delen van dergelijke karkassen die wervelkolom bevatten, moet na een overgangsperiode voortaan, wanneer de verwijdering van de wervelkolom wel is vereist, een rode streep worden aangebracht op het etiket van de runderkarkassen of delen van dergelijke karkassen die wervelkolom bevatten.

(8)

Dezelfde wijziging van het vereiste om een blauwe streep aan te brengen wanneer de verwijdering van de wervelkolom niet is vereist in een vereiste om een rode streep aan te brengen wanneer de verwijdering van de wervelkolom wel is vereist, moet ook van toepassing zijn op in de Unie ingevoerde producten van runderen. Bijlage IX, hoofdstuk C, afdeling C, punt 3, en bijlage IX, hoofdstuk C, afdeling D, punt 3, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Om de marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten binnen en buiten de EU de tijd te geven zich aan te passen aan deze nieuwe regeling, volgens welke een rode streep is vereist wanneer de verwijdering van de wervelkolom is vereist, moet deze bepaling in werking treden na een overgangsperiode tot en met 30 juni 2017.

(10)

Bij artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 999/2001 is het in lidstaten of gebieden daarvan met een gecontroleerd of een onbepaald BSE-risico verboden om bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is, weefsels van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, te vernietigen met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door injectie van gas in de schedelholte. In bijlage V, punt 6, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt dat verbod uitgebreid tot lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico, tot het tijdstip waarop alle lidstaten als landen met een verwaarloosbaar BSE-risico zijn ingedeeld. Aangezien atypische BSE wordt beschouwd als een spontane ziekte die, met een geringe prevalentie, ook in landen met een verwaarloosbaar BSE-risico optreedt, moet dat verbod van toepassing blijven nadat alle lidstaten als landen met een verwaarloosbaar BSE-risico zijn ingedeeld. Bijlage V, punt 6, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet daarom worden gewijzigd door schrapping van deze beperking in de tijd.

(11)

Bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat de voorschriften met betrekking tot de erkenning van de status „verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie” van een lidstaat of gebieden daarvan. Op 25 juni 2014 en 24 augustus 2014 hebben respectievelijk Finland en Zweden bij de Commissie een verzoek ingediend om te worden erkend als land met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie.

(12)

Op 13 januari 2015 heeft de Commissie de wetenschappelijke en technische bijstand van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) gevraagd om na te gaan of Finland en Zweden in hun verzoeken hebben aangetoond te voldoen aan bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.1, onder c), en bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001.

(13)

Op 19 november 2015 heeft de EFSA naar aanleiding van het verzoek van de Commissie twee wetenschappelijke verslagen gepubliceerd (7) (hierna „de EFSA-verslagen” genoemd). In de EFSA-verslagen wordt, op basis van de uit eerdere beoordelingen van diagnostische screeningtests door de EFSA en het Instituut voor referentiematerialen en -metingen (IRMM) van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek gebleken gevoeligheid van de tests, geconcludeerd dat Zweden heeft aangetoond voor elk van de zeven voorafgaande jaren te hebben voldaan aan bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.1, onder c), bij Verordening (EG) nr. 999/2001, en Finland heeft aangetoond dit voor elk van de zeven voorafgaande jaren te hebben gedaan, behalve voor 2010; in dat jaar kon klassieke scrapie bij een prevalentie van meer dan 0,1 % worden opgespoord met een betrouwbaarheid van 94,73 %. Aangezien het verschil tussen een betrouwbaarheid van 94,73 en van 95 % verwaarloosbaar is wanneer het gaat om het risico een geval van klassieke scrapie over het hoofd te zien, en aangezien in alle zes andere jaren wel werd voldaan aan het criterium van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.1, onder c), bij Verordening (EG) nr. 999/2001, kan worden gesteld dat gedurende de afgelopen zeven jaren aan het criterium is voldaan.

(14)

In de EFSA-verslagen wordt ook geconcludeerd dat, op basis van de uit eerdere beoordelingen van diagnostische screeningtests door de EFSA en het IRMM gebleken gevoeligheid van de tests, de intenties van Zweden en Finland met betrekking tot de bewaking van klassieke scrapie in de toekomst zouden voldoen aan bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001.

(15)

Rekening houdend met de EFSA-verslagen en de gunstige uitkomst van de beoordeling door de Commissie van die aanvragen in het licht van de andere criteria van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 2.1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001, moeten Finland en Zweden worden opgenomen in de lijst van lidstaten met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie.

(16)

In bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 3.2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 staan de lidstaten vermeld die over een goedgekeurd nationaal bestrijdingsprogramma voor klassiek scrapie beschikken. Aangezien Finland en Zweden nu in de lijst van punt 2.3 van die afdeling moeten worden opgenomen als lidstaten met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, moeten zij worden geschrapt uit de lijst van lidstaten met een goedgekeurd nationaal bestrijdingsprogramma voor klassieke scrapie van punt 3.2 van die afdeling, aangezien die status garanties biedt die verder gaan dan die van een goedgekeurd nationaal bestrijdingsprogramma.

(17)

Bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punten 1.2 en 1.3, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 bevatten de voorwaarden waaraan een bedrijf moet voldoen om te worden erkend als bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie. Punt 4 van die afdeling bevat de voorwaarden met betrekking tot scrapie waaraan moet worden voldaan voor handel binnen de Unie in schapen en geiten alsmede sperma en embryo's daarvan.

(18)

Bovendien wordt in artikel 3, lid 1, onder i), van Verordening (EG) nr. 999/2001 een bedrijf omschreven als een plaats waar onder die verordening vallende dieren ondergebracht, gehouden, gefokt, behandeld of aan het publiek getoond worden. Spermacentra en dierentuinen moeten daarom worden beschouwd als bedrijven, waarvoor dan ook de voorwaarden van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 gelden.

(19)

Aangezien het risico van verspreiding van scrapie door mannelijke schapen en geiten die worden gehouden in overeenkomstig de voorwaarden van bijlage D bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (8) erkende en onder toezicht staande spermacentra beperkt is, is het gepast in bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 specifieke voorwaarden vast te stellen voor spermacentra.

(20)

In die specifieke voorwaarden moet worden bepaald dat een bedrijf met een verwaarloosbaar, respectievelijk gecontroleerd risico op klassieke scrapie schapen en geiten uit een spermacentrum mag binnenhalen, mits i) het spermacentrum overeenkomstig bijlage D bij Richtlijn 92/65/EG is erkend en onder toezicht staat; ii) zich in het spermacentrum de laatste zeven, respectievelijk drie jaar geen geval van klassieke scrapie heeft voorgedaan; iii) de laatste zeven, respectievelijk drie jaar slechts de volgende schapen en geiten het spermacentrum zijn binnengebracht: schapen en geiten van bedrijven waar schapen en geiten permanent worden gemerkt en registers worden bijgehouden, waar registers van de verplaatsingen van schapen en geiten van en naar het bedrijf worden bijgehouden, waar de laatste zeven, respectievelijk drie jaar geen geval van klassieke scrapie is vastgesteld, en die regelmatig zijn gecontroleerd door een officiële dierenarts of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts; iv) in het spermacentrum zijn bioveiligheidsmaatregelen van kracht om ervoor te zorgen dat schapen en geiten die afkomstig zijn van bedrijven met verschillende statussen met betrekking tot scrapie in het spermacentrum geen contact met elkaar hebben. Bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 1.2, onder c), en bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 1.3, onder c), bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(21)

Bovendien moeten de voorwaarden met betrekking tot scrapie voor de handel binnen de Unie in sperma en embryo's van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 4.2, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd om rekening te houden met de in de voorgaande overweging vermelde specifieke voorwaarden voor spermacentra. Verder moet ook in de voorwaarden voor de invoer van sperma en embryo's van schapen en geiten van bijlage IX, hoofdstuk H, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 een verwijzing naar die specifieke voorwaarden worden opgenomen.

(22)

De voorwaarden voor de handel binnen de Unie in schapen en geiten van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 4.1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn gericht op het voorkomen van de verspreiding van klassieke scrapie bij landbouwhuisdieren die op bedrijven worden gehouden. Aangezien uitsluitend tussen dierentuinen verlopende verplaatsing van schapen en geiten geen invloed heeft op de status met betrekking tot scrapie van als landbouwhuisdier gehouden schapen en geiten in de Unie, moeten die specifieke voorwaarden niet van toepassing zijn op schapen en geiten die worden gehouden in en uitsluitend worden verplaatst tussen dierentuinen, zoals omschreven in de definitie van officieel erkende instellingen, instituten of centra in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 92/65/EEG. Die dieren moeten daarom van de voorwaarden van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 4.1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden vrijgesteld.

(23)

Aan de voorwaarden met betrekking tot scrapie voor de handel binnen de Unie in levende schapen en geiten van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 4.1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 kan moeilijk worden voldaan voor de handel binnen de Unie in bepaalde zeldzame rassen. Om inteelt te voorkomen en de genetische diversiteit in populaties van zeldzame rassen te behouden, is regelmatige uitwisseling van dergelijke dieren tussen de lidstaten noodzakelijk. Daarom moeten specifieke voorwaarden voor de handel binnen de Unie in schapen en geiten van zeldzame rassen worden vastgesteld. Die specifieke voorwaarden moeten de handel binnen de Unie in schapen en geiten van zeldzame rassen mogelijk maken die niet aan de vereisten van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 4.1, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 voldoen.

(24)

Het begrip „zeldzaam ras” is niet specifiek in de EU-wetgeving omschreven. In artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie (9) is echter vastgesteld onder welke voorwaarden verbintenissen in het kader van de agromilieu- en -klimaatmaatregel kunnen worden aangegaan op het gebied van het fokken van plaatselijke rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan. Die voorwaarden behelzen met name dat een naar behoren erkende relevante technische instantie het stamboek voor het betrokken ras registreert en bijhoudt. Overeenkomstig Richtlijn 89/361/EEG van de Raad (10) moet het bij een dergelijke technische instantie gaan om hetzij een organisatie of vereniging van fokkers die officieel wordt erkend door de lidstaat waar deze organisatie of vereniging van fokkers is opgericht, hetzij een officiële instantie van de desbetreffende lidstaat.

(25)

Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 999/2001 moeten onder „lokale rassen die voor de landbouw verloren dreigen te gaan” daarom schapen- en geitenrassen worden verstaan die aan de voorwaarden van artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 voldoen en waarvoor een instandhoudingsprogramma wordt uitgevoerd door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig Richtlijn 89/361/EEG, dan wel door een officiële instantie van de desbetreffende lidstaat.

(26)

Bijlage IX, hoofdstuk C, afdeling B, bij Verordening (EG) nr. 999/2001 moet worden gewijzigd om de invoer in de Unie van producten van runderen, schapen en geiten uit derde landen met een verwaarloosbaar BSE-risico ook mogelijk te maken wanneer die producten zijn afgeleid van grondstoffen die, geheel of gedeeltelijk, afkomstig zijn uit landen met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico, mits die grondstoffen van oorsprong uit landen met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico ontdaan zijn van gespecificeerd risicomateriaal.

(27)

De bijlagen II, III, V, VII, VIII en IX bij Verordening (EU) nr. 999/2001 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(28)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen II, III, V, VII, VIII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De bij punt 6 van de bijlage bij deze verordening aangebrachte wijzigingen in bijlage IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 zijn van toepassing met ingang van 1 juli 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 augustus 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)  http://www.oie.int/index.php?id=169&L=0&htmfile=chapitre_bse.htm

(3)  Richtlijn 64/433/EEG van de Raad van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PB 121 van 29.7.1964, blz. 2012).

(4)  Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 368 van 23.12.2006, blz. 15).

(6)  Verordening (EU) 2015/1162 van de Commissie van 15 juli 2015 tot wijziging van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (PB L 188 van 16.7.2015, blz. 3).

(7)  Evaluation of the application of Sweden to be recognised as having a negligible risk of classical scrapie (EFSA Journal 2015;13(11):4292) en Evaluation of the application of Finland to be recognised as having a negligible risk of classical scrapie (EFSA Journal 2015;13(11):4293).

(8)  Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).

(9)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 1).

(10)  Richtlijn 89/361/EEG van de Raad van 30 mei 1989 betreffende raszuivere fokschapen en –geiten (PB L 153 van 6.6.1989, blz. 30).


BIJLAGE

Bijlagen II, III, V, VII en IX bij Verordening (EG) nr. 999/2001 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage II, hoofdstuk A, wordt de eerste alinea vervangen door:

„De BSE-status van de lidstaten, derde landen of gebieden daarvan (hierna „landen of gebieden” genoemd) wordt bepaald aan de hand van de onder a) tot en met e) aangegeven criteria. Voor de toepassing van deze bijlage wordt „atypische BSE” buiten beschouwing gelaten omdat ervan wordt uitgegaan dat deze ziekte bij alle runderpopulaties spontaan en in zeer kleine mate voorkomt.”.

2)

Bijlage III, hoofdstuk A, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in deel I wordt punt 6 vervangen door:

„6.   Maatregelen op grond van het testen

 

6.1.

Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier geselecteerd is om op BSE te worden getest, wordt het in bijlage I, sectie I, hoofdstuk III, bij Verordening (EG) nr. 854/2004 bedoelde keurmerk pas op het karkas van dat dier aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

 

6.2.

De lidstaten mogen van punt 6.1 afwijken indien er in het slachthuis een officieel systeem bestaat dat garandeert dat geen delen van onderzochte dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen.

 

6.3.

Alle delen van het kadaver van een op BSE getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig artikel 12, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd, of tenzij de vetten ervan overeenkomstig Verordening (EU) nr. 142/2011 worden verwerkt, en worden gebruikt overeenkomstig artikel 12, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 of voor de vervaardiging van afgeleide producten zoals bedoeld in artikel 36 van die verordening.

 

6.4.

Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig artikel 12, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 verwijderd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers en behalve de van een dergelijk kadaver afkomstige vetten, mits deze vetten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 142/2011 worden verwerkt, en worden gebruikt overeenkomstig artikel 12, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 of voor de vervaardiging van afgeleide producten zoals bedoeld in artikel 36 van die verordening.

 

6.5.

Wanneer voor een voor menselijke consumptie geslacht dier bij de snelle test een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, worden ten minste het karkas dat op dezelfde slachtlijn onmiddellijk aan het dier waarvoor een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, voorafging en de twee karkassen die onmiddellijk na dat dier kwamen, overeenkomstig punt 6.4 vernietigd.

In afwijking van de eerste alinea kunnen lidstaten besluiten de bovengenoemde karkassen slechts te vernietigen als het resultaat van de snelle test als positief of onduidelijk wordt bevestigd door de in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.1, onder b), vermelde bevestigende onderzoeken.

 

6.6.

De lidstaten mogen van punt 6.5 afwijken als er in het slachthuis een systeem bestaat waardoor besmetting tussen karkassen wordt voorkomen.”;

b)

in deel II worden de punten 7.3 en 7.4 vervangen door:

„7.3.

Alle delen van het kadaver van een getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig artikel 12, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 worden verwijderd, of tenzij de vetten ervan overeenkomstig Verordening (EU) nr. 142/2011 worden verwerkt, en worden gebruikt overeenkomstig artikel 12, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 of voor de vervaardiging van afgeleide producten zoals bedoeld in artikel 36 van die verordening.

7.4.

Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig artikel 12, onder a) of b), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 rechtstreeks verwijderd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers en behalve van een dergelijk kadaver afkomstig gesmolten vet, mits dit gesmolten vet overeenkomstig Verordening (EU) nr. 142/2011 wordt verwerkt, en wordt gebruikt overeenkomstig artikel 12, onder e), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 of voor de vervaardiging van afgeleide producten zoals bedoeld in artikel 36 van die verordening.”.

3)

Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 3 en 4 worden vervangen door:

„3.   Markering en definitieve verwijdering

Gespecificeerd risicomateriaal wordt bij verwijdering onmiddellijk met een kleurstof of eventueel op andere wijze gemerkt en wordt definitief verwijderd overeenkomstig de regels van Verordening (EG) nr. 1069/2009, en met name van artikel 12 daarvan.

4.   Verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal

 

4.1.

Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd in:

a)

slachthuizen, of, indien van toepassing, andere slachtplaatsen;

b)

uitsnijderijen, in geval van wervelkolommen van runderen;

c)

in voorkomend geval, erkende inrichtingen of bedrijven zoals bedoeld in artikel 24, lid 1, onder h), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

 

4.2.

In afwijking van punt 4.1 mag volgens de procedure van artikel 24, lid 3, worden toegestaan dat in plaats van de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal een in bijlage X opgenomen alternatieve test zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, wordt uitgevoerd, overeenkomstig de volgende voorwaarden:

a)

de alternatieve tests worden toegepast in slachthuizen bij alle dieren die voor verwijdering van het gespecificeerde risicomateriaal in aanmerking komen;

b)

geen voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd product afkomstig van runderen, schapen of geiten mag het slachthuis verlaten voordat de bevoegde autoriteit de resultaten heeft ontvangen en aanvaard van de alternatieve tests bij alle geslachte dieren die mogelijk besmet waren, indien bij één daarvan de aanwezigheid van BSE werd bevestigd;

c)

als het resultaat van een alternatieve test positief is, moet al het materiaal dat afkomstig is van runderen, schapen of geiten en dat potentieel in het slachthuis verontreinigd is, overeenkomstig punt 3 worden vernietigd, tenzij alle delen van het kadaver van het zieke dier, met inbegrip van de huid, geïdentificeerd en gescheiden gehouden kunnen worden.

 

4.3.

In afwijking van punt 4.1 mogen de lidstaten het volgende toestaan:

a)

het verwijderen van het ruggenmerg van schapen en geiten in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen;

b)

het verwijderen van de wervelkolom van karkassen of delen van karkassen van runderen in speciaal daarvoor erkende, gecontroleerde en geregistreerde slagerijen;

c)

het verzamelen van kopvlees van runderen in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen overeenkomstig punt 9.

 

4.4.

De regels voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op categorie 1-materiaal dat overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 wordt gebruikt voor vervoedering aan dieren in dierentuinen, noch op categorie 1-materiaal dat overeenkomstig artikel 18, lid 2, onder b), van die verordening wordt gebruikt voor vervoedering aan met uitsterven bedreigde of beschermde aasetende vogelsoorten en andere soorten die in hun natuurlijke habitat leven, om de biodiversiteit te bevorderen.”;

b)

de punten 6 en 7 worden vervangen door:

„6.   Maatregelen betreffende vernietiging van weefsel

In aanvulling op het voor lidstaten of gebieden daarvan met een gecontroleerd of een onbepaald BSE-risico geldende verbod van artikel 8, lid 3, op de toepassing bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is, van vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door injectie van gas in de schedelholte, geldt dat verbod ook voor lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico.

7.   Verzamelen van tongen van runderen

De tongen van runderen van alle leeftijden, bestemd voor menselijke of dierlijke consumptie, worden in het slachthuis verzameld door middel van een dwarse snede rostraal van de processus lingualis van het basihyoid, met uitzondering van tongen van runderen van oorsprong uit een lidstaat met een verwaarloosbaar BSE-risico.”;

c)

punt 11 wordt vervangen door:

„11.   Controles

 

11.1.

De lidstaten verrichten frequent officiële controles om na te gaan of deze bijlage correct wordt uitgevoerd en zien erop toe dat er maatregelen worden getroffen om verontreiniging te vermijden, met name in slachthuizen, uitsnijderijen en andere locaties waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd, zoals slagerijen en inrichtingen als bedoeld in punt 4.1, onder c).

 

11.2.

Met name voeren de lidstaten een regeling in om te waarborgen en te controleren dat gespecificeerd risicomateriaal wordt behandeld en verwijderd overeenkomstig deze verordening en Verordening (EG) nr. 1069/2009.

 

11.3.

Er wordt een controlesysteem ingevoerd voor de verwijdering van de wervelkolom, als omschreven in punt 1, onder a). Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

a)

tot en met 30 juni 2017 worden, wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare blauwe streep op het in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket.

Met ingang van 1 juli 2017 worden, wanneer de wervelkolom moet worden verwijderd, runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare rode streep op het in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket;

b)

in het handelsdocument betreffende de zendingen vlees wordt in voorkomend geval het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd. Bij invoer wordt in voorkomend geval die specifieke informatie opgenomen in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie (*) bedoelde Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (GDB);

c)

de slagerijen bewaren de onder b) genoemde handelsdocumenten gedurende ten minste één jaar.

(*)  Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie van 22 januari 2004 tot vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11).”."

4)

In bijlage VII, hoofdstuk B, worden de punten 4.2, 4.3 en 4.4 vervangen door:

„4.2.

Alleen de volgende schapen mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

a)

rammen met genotype ARR/ARR;

b)

ooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel.

In afwijking van de punten a) en b) mag een lidstaat echter toestaan dat de onder c) en d) bedoelde schapen op het bedrijf worden binnengebracht, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

het op het bedrijf gehouden ras is een plaatselijk ras dat voor de landbouw verloren dreigt te gaan overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie (**);

ii)

voor het op het bedrijf gehouden ras wordt een instandhoudingsprogramma uitgevoerd door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 89/361/EEG van de Raad (***), dan wel door een officiële instantie, en

iii)

de frequentie van het ARR-allel binnen het op het bedrijf gehouden ras is klein;

c)

rammen met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

d)

ooien zonder VRQ-allel.

4.3.

Op het bedrijf mogen uitsluitend de volgende fokrammen en levende producten van schapen worden gebruikt:

a)

rammen met genotype ARR/ARR;

b)

sperma van rammen met genotype ARR/ARR;

c)

embryo's met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel.

In afwijking van de punten a), b) en c) mag een lidstaat echter toestaan dat de onder d), e) en f) bedoelde fokrammen en levende producten van schapen op het bedrijf worden gebruikt, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

het op het bedrijf gehouden ras is een plaatselijk ras dat voor de landbouw verloren dreigt te gaan overeenkomstig artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014;

ii)

voor het op het bedrijf gehouden ras wordt een instandhoudingsprogramma uitgevoerd door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 89/361/EEG, dan wel door een officiële instantie, en

iii)

de frequentie van het ARR-allel binnen het op het bedrijf gehouden ras is klein;

d)

rammen met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

e)

sperma van rammen met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

f)

embryo's zonder VRQ-allel.

4.4.

Dieren mogen het bedrijf alleen verlaten om te worden vernietigd of om rechtstreeks voor menselijke consumptie te worden geslacht, of als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

rammen en ooien met genotype ARR/ARR mogen het bedrijf verlaten voor alle doeleinden, ook voor fokken, mits zij worden vervoerd naar andere bedrijven waarvoor de maatregelen overeenkomstig punt 2.2.2, onder c) of d), worden genomen;

b)

lammeren en geitenlammeren mogen, indien de lidstaat daartoe besluit, eenmaal naar een ander bedrijf op zijn grondgebied worden vervoerd, uitsluitend om te worden afgemest alvorens zij worden geslacht, onder de volgende voorwaarden:

i)

op het bedrijf van bestemming zijn geen andere schapen of geiten aanwezig dan dieren die worden afgemest voordat zij worden geslacht;

ii)

aan het eind van de afmestperiode worden de lammeren en geitenlammeren die afkomstig zijn van de bedrijven waarvoor de in punt 2.2.2, onder c), iii), of punt 2.2.2, onder d), bedoelde uitroeiingsmaatregelen gelden, rechtstreeks naar een op het grondgebied van dezelfde lidstaat gelegen slachthuis vervoerd, waar zij uiterlijk wanneer zij twaalf maanden oud zijn, worden geslacht.

(**)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot invoering van overgangsbepalingen (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 1)."

(***)  Richtlijn 89/361/EEG van de Raad van 30 mei 1989 betreffende raszuivere fokschapen en –geiten (PB L 153 van 6.6.1989, blz. 30).”."

5)

In bijlage VIII wordt hoofdstuk A, afdeling A, als volgt gewijzigd:

a)

punt 1 wordt vervangen door:

„1.

Bedrijven met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie en een gecontroleerd risico op klassieke scrapie

1.1.

Met het oog op de handel binnen de Unie stellen de lidstaten in voorkomend geval een officiële regeling vast, en oefenen daarop toezicht uit, voor het erkennen van bedrijven met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie en bedrijven met een gecontroleerd risico op klassieke scrapie. Op basis van die officiële regeling stellen zij in voorkomend geval lijsten op, en houden deze bij, van schapen- en geitenbedrijven met een verwaarloosbaar en met een gecontroleerd risico op klassieke scrapie.

1.2.

Een bedrijf met schapen met een TSE-resistente status van niveau I, zoals bepaald in bijlage VII, hoofdstuk C, deel 4, punt 1, onder a), mag, indien er ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar geen geval van klassieke scrapie is bevestigd, worden erkend als bedrijf met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie.

Een bedrijf met schapen, geiten of beide mag ook worden erkend als bedrijf met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie als het ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:

a)

de schapen en geiten zijn permanent geïdentificeerd en er worden registers bijgehouden zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

b)

de verplaatsingen van schapen en geiten van en naar het bedrijf worden geregistreerd;

c)

alleen de volgende schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

schapen en geiten van bedrijven met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie;

ii)

schapen en geiten van bedrijven die ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar of ten minste gedurende dezelfde periode als het bedrijf waarop zij worden binnengebracht, hebben voldaan aan de voorwaarden onder a) tot en met i);

iii)

schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR;

iv)

schapen en geiten die voldoen aan de voorwaarden van punt i) of ii), behalve gedurende de periode waarin zij werden gehouden in een spermacentrum, mits het spermacentrum aan de volgende voorwaarden voldoet:

het spermacentrum is overeenkomstig bijlage D, hoofdstuk I, punt I, bij Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (****) erkend en op het spermacentrum wordt overeenkomstig hoofdstuk I, punt II, van die bijlage toezicht uitgeoefend;

gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar zijn alleen schapen en geiten van bedrijven die gedurende die periode aan de voorwaarden onder a), b) en e) hebben voldaan en die op gezette tijden door een officiële dierenarts of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts zijn gecontroleerd, in het spermacentrum binnengebracht;

er zijn gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar geen gevallen van klassieke scrapie in het spermacentrum bevestigd;

in het spermacentrum zijn bioveiligheidsmaatregelen van kracht om ervoor te zorgen dat schapen en geiten die in dat centrum worden gehouden en die afkomstig zijn van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie geen direct of indirect contact hebben met schapen en geiten die afkomstig zijn van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie.

d)

het bedrijf wordt op gezette tijden, minimaal jaarlijks vanaf 1 januari 2014, door een officiële dierenarts of een daartoe door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts gecontroleerd om na te gaan of aan de voorwaarden onder a) tot en met i) wordt voldaan;

e)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie bevestigd;

f)

tot en met 31 december 2013 worden alle in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3, bedoelde schapen en geiten ouder dan 18 maanden die gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie gedood zijn, in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

Vanaf 1 januari 2014 worden alle schapen en geiten ouder dan 18 maanden die gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie gedood zijn, in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

In afwijking van de voorwaarden in de eerste en tweede alinea van punt f) kunnen de lidstaten besluiten dat alle schapen en geiten ouder dan 18 maanden zonder commerciële waarde die aan het eind van hun productieve leven geruimd in plaats van voor menselijke consumptie geslacht worden, door een officiële dierenarts worden gekeurd, en dat alle dieren die tekenen van verzwakking („slijten”) of neurologische tekenen vertonen in een laboratorium op klassieke scrapie worden onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

Naast de voorwaarden onder a) tot en met f) gelden vanaf 1 januari 2014 de volgende voorwaarden:

g)

alleen de volgende eicellen en embryo's van schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

eicellen en embryo's van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij zijn sinds hun geboorte gehouden op bedrijven waar tijdens hun verblijf geen gevallen van klassieke scrapie zijn bevestigd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van de eicellen of embryo's;

ii)

eicellen en embryo's van schapen met ten minste één ARR-allel;

h)

alleen het volgende sperma van schapen en geiten mag op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

sperma van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van het sperma;

ii)

sperma van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR;

i)

de schapen en geiten op het bedrijf hebben geen direct of indirect contact, met inbegrip van gemeenschappelijk gebruik van weiden, met schapen en geiten van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie.

1.3.

Een bedrijf met schapen, geiten of beide mag worden erkend als bedrijf met een gecontroleerd risico op klassieke scrapie als het ten minste gedurende de voorafgaande periode van drie jaar aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:

a)

de schapen en geiten zijn permanent geïdentificeerd en er worden registers bijgehouden zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

b)

de verplaatsingen van schapen en geiten van en naar het bedrijf worden geregistreerd;

c)

alleen de volgende schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

schapen en geiten van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie;

ii)

schapen en geiten van bedrijven die ten minste gedurende de voorafgaande periode van drie jaar of ten minste gedurende dezelfde periode als het bedrijf waarop zij worden binnengebracht, hebben voldaan aan de voorwaarden onder a) tot en met i);

iii)

schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR;

iv)

schapen en geiten die voldoen aan de voorwaarden van punt i) of ii), behalve gedurende de periode waarin zij werden gehouden in een spermacentrum, mits het spermacentrum aan de volgende voorwaarden voldoet:

het spermacentrum is overeenkomstig bijlage D, hoofdstuk I, punt I, bij Richtlijn 92/65/EEG erkend en op het spermacentrum wordt overeenkomstig hoofdstuk I, punt II, van die bijlage toezicht uitgeoefend;

gedurende de voorafgaande periode van drie jaar zijn alleen schapen en geiten van bedrijven die gedurende die periode aan de voorwaarden onder a), b) en e) hebben voldaan en die op gezette tijden door een officiële dierenarts of een door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts zijn gecontroleerd, in het spermacentrum binnengebracht;

er zijn gedurende de voorafgaande periode van drie jaar geen gevallen van klassieke scrapie in het spermacentrum bevestigd;

in het spermacentrum zijn bioveiligheidsmaatregelen van kracht om ervoor te zorgen dat schapen en geiten die in dat centrum worden gehouden en die afkomstig zijn van bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie geen direct of indirect contact hebben met schapen en geiten die afkomstig zijn van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie;

d)

het bedrijf wordt op gezette tijden, minimaal jaarlijks vanaf 1 januari 2014, door een officiële dierenarts of een daartoe door de bevoegde autoriteit gemachtigde dierenarts gecontroleerd om na te gaan of aan de voorwaarden onder a) tot en met i) wordt voldaan;

e)

er zijn geen gevallen van klassieke scrapie bevestigd;

f)

tot en met 31 december 2013 worden alle in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3, bedoelde schapen en geiten ouder dan 18 maanden die gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie gedood zijn, in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

Vanaf 1 januari 2014 worden alle schapen en geiten ouder dan 18 maanden die gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie gedood zijn, in een laboratorium op klassieke scrapie onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

In afwijking van de voorwaarden in de eerste en tweede alinea van punt f) kunnen de lidstaten besluiten dat alle schapen en geiten ouder dan 18 maanden zonder commerciële waarde die aan het eind van hun productieve leven geruimd in plaats van voor menselijke consumptie geslacht worden, door een officiële dierenarts worden gekeurd, en dat alle dieren die tekenen van verzwakking („slijten”) of neurologische tekenen vertonen in een laboratorium op klassieke scrapie worden onderzocht met de laboratoriummethoden en protocollen die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2.

Naast de voorwaarden onder a) tot en met f) gelden vanaf 1 januari 2014 de volgende voorwaarden:

g)

alleen de volgende eicellen en embryo's van schapen en geiten mogen op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

eicellen en embryo's van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij zijn sinds hun geboorte gehouden op bedrijven waar tijdens hun verblijf geen gevallen van klassieke scrapie zijn bevestigd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van de eicellen of embryo's;

ii)

eicellen en embryo's van schapen met ten minste één ARR-allel;

h)

alleen het volgende sperma van schapen en geiten mag op het bedrijf worden binnengebracht:

i)

sperma van donordieren die sinds hun geboorte zijn gehouden in een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of die aan de volgende vereisten voldoen:

zij zijn permanent geïdentificeerd zodat zij tot hun bedrijf van geboorte kunnen worden getraceerd;

zij vertoonden geen klinische tekenen van klassieke scrapie ten tijde van de winning van het sperma;

ii)

sperma van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR;

i)

de schapen en geiten op het bedrijf hebben geen direct of indirect contact, met inbegrip van gemeenschappelijk gebruik van weiden, met schapen en geiten van bedrijven met een lagere status met betrekking tot klassieke scrapie.

1.4.

Indien een geval van klassieke scrapie wordt bevestigd op een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie of op een bedrijf dat een epidemiologisch verband heeft met een bedrijf met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie blijkens het in bijlage VII, hoofdstuk B, punt 1, bedoelde onderzoek, wordt het bedrijf met een verwaarloosbaar of gecontroleerd risico op klassieke scrapie onmiddellijk geschrapt van de in punt 1.1 van deze afdeling bedoelde lijst.

De lidstaat stelt de andere lidstaten die gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar, als het gaat om een bedrijf met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, of gedurende de voorafgaande periode van drie jaar, als het gaat om een bedrijf met een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, schapen en geiten van oorsprong uit het besmette bedrijf, of uit op het besmette bedrijf gehouden schapen en geiten gewonnen sperma of embryo's, hebben binnengebracht, onmiddellijk in kennis.

(****)  Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo's waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).”;"

b)

punt 2.1, onder b) en c), wordt vervangen door:

„b)

ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar schapen en geiten met klinische tekenen die op klassieke scrapie kunnen wijzen, zijn getest;

c)

ten minste gedurende de voorafgaande periode van zeven jaar jaarlijks een voldoende groot aantal schapen en geiten ouder dan 18 maanden, dat representatief is voor de schapen en geiten die zijn geslacht, zijn gestorven of om andere redenen dan slacht voor menselijke consumptie zijn gedood, is getest, om met een betrouwbaarheid van 95 % klassieke scrapie te kunnen opsporen als die ziekte met een prevalentie van meer dan 0,1 % in die populatie aanwezig is, waarbij in die periode geen geval van klassieke scrapie is aangetroffen;”;

c)

punt 2.3 wordt vervangen door:

„2.3.

Lidstaten of gebieden van een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie:

Oostenrijk,

Finland,

Zweden.”;

d)

punt 3.2 wordt vervangen door:

„3.2.

De nationale scrapiebestrijdingsprogramma's van de volgende lidstaten worden goedgekeurd:

Denemarken.”;

e)

punt 4 wordt vervangen door:

„4.

Handel in schapen en geiten alsmede sperma en embryo's van die dieren binnen de Unie

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

4.1.

voor schapen en geiten:

a)

fokschapen en fokgeiten, bestemd voor lidstaten die geen verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie en geen goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma hebben:

i)

komen van een of meer bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, of

ii)

komen uit een lidstaat of een gebied van een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, of

iii)

als het gaat om schapen, hebben prioneiwitgenotype ARR/ARR, mits zij niet afkomstig zijn van een bedrijf waarvoor de in bijlage VII, hoofdstuk B, punten 3 en 4, beschreven beperkingen gelden;

b)

schapen en geiten voor alle doeleinden met uitzondering van onmiddellijke slacht, bestemd voor lidstaten die een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma hebben:

i)

komen van een of meer bedrijven met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, of

ii)

komen uit een lidstaat of een gebied van een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, of

iii)

als het gaat om schapen, hebben prioneiwitgenotype ARR/ARR, mits zij niet afkomstig zijn van een bedrijf waarvoor de in bijlage VII, hoofdstuk B, punten 3 en 4, beschreven beperkingen gelden;

c)

in afwijking van de punten a) en b) zijn de vereisten van die punten niet van toepassing op schapen en geiten die worden gehouden in en uitsluitend worden verplaatst tussen officieel erkende instellingen, instituten of centra zoals omschreven in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 92/65/EEG;

d)

in afwijking van de punten a) en b) kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat de handel binnen de Unie in dieren die niet voldoen aan de vereisten van die punten toestaan, mits zij voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaten van bestemming van die dieren heeft verkregen en de dieren aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)

de dieren behoren tot een plaatselijk ras dat voor de landbouw verloren dreigt te gaan, zoals bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014;

ii)

de dieren worden ingeschreven in een stamboek dat wordt opgesteld en bijgehouden door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 89/361/EEG in de lidstaat van verzending, dan wel door een officiële instantie van die lidstaat, en zullen worden ingeschreven in een stamboek voor dat ras dat wordt opgesteld en bijgehouden door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 89/361/EEG in de lidstaat van bestemming, dan wel door een officiële instantie van die lidstaat;

iii)

in de lidstaat van verzending en in de lidstaat van bestemming kunnen de in punt ii) bedoelde organisaties of verenigingen van fokkers of officiële instantie een instandhoudingsprogramma voor dat ras uitvoeren;

iv)

de dieren zijn niet afkomstig van een bedrijf waarvoor de in bijlage VII, hoofdstuk B, punten 3 en 4, beschreven beperkingen gelden;

v)

na de binnenkomst van de dieren die niet aan de vereisten van punt a) of b) voldoen op het ontvangende bedrijf in de lidstaat van bestemming, wordt de verplaatsing van alle schapen en geiten op dat bedrijf in overeenstemming met bijlage VII, hoofdstuk B, punt 3.4, beperkt voor een periode van drie jaar, of voor een periode van zeven jaar indien de lidstaat van bestemming een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of met een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma is.

In afwijking van de eerste alinea van dit punt is een dergelijke verplaatsingsbeperking niet van toepassing op handel in dieren binnen de Unie die overeenkomstig de voorwaarden van punt 4.1, onder d), van deze afdeling plaatsvindt, noch op verplaatsingen binnen de lidstaat van dieren die bestemd zijn voor een bedrijf waar een plaatselijk ras dat voor de landbouw verloren dreigt te gaan, zoals bedoeld in artikel 7, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 807/2014, wordt gefokt, mits voor dat ras een instandhoudingsprogramma wordt uitgevoerd door een organisatie of vereniging van fokkers die officieel is erkend overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 89/361/EEG, dan wel door een officiële instantie.

Na de handel binnen de Unie of de binnenlandse verplaatsing zoals bedoeld in punt v), tweede alinea, wordt de verplaatsing van alle schapen en geiten op het bedrijf dat, of de bedrijven die, uit hoofde van die afwijking verplaatste dieren ontvangen, beperkt overeenkomstig punt v), eerste en tweede alinea;

4.2.

sperma en embryo's van schapen en geiten:

a)

worden gewonnen van dieren die sinds de geboorte ononderbroken zijn gehouden op een of meer bedrijven met een verwaarloosbaar of een gecontroleerd risico op klassieke scrapie, tenzij het bedrijf een spermacentrum is, mits het spermacentrum voldoet aan de voorwaarden van punt 1.3, onder c), iv), of

b)

worden gewonnen van dieren die de drie jaar voorafgaande aan de winning ononderbroken zijn gehouden op een of meer bedrijven die drie jaar lang aan alle voorwaarden van punt 1.3, onder a) tot en met f), hebben voldaan, tenzij het bedrijf een spermacentrum is, mits het spermacentrum voldoet aan de voorwaarden van punt 1.3, onder c), iv), of

c)

worden gewonnen van dieren die sinds de geboorte ononderbroken zijn gehouden in een land of gebied met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie, of

d)

als het gaat om sperma van schapen, wordt gewonnen van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR, of

e)

als het gaat om embryo's van schapen, hebben ten minste één ARR-allel.”.

6)

Bijlage IX wordt vervangen door:

„BIJLAGE IX

INVOER IN DE UNIE VAN LEVENDE DIEREN, EMBRYO'S, EICELLEN EN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

HOOFDSTUK B

Invoer van runderen

AFDELING A

Invoer uit een land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

de dieren zijn geboren en ononderbroken gehouden in een land of gebied dat, of in landen of gebieden die, overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG van de Commissie (*****) zijn ingedeeld als landen respectievelijk gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico;

b)

de dieren zijn geïdentificeerd met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en niet blootgesteld zijn aan de volgende runderen:

i)

alle BSE-gevallen;

ii)

alle runderen die in hun eerste levensjaar samen met de BSE-gevallen in hun eerste levensjaar zijn gehouden en die blijkens onderzoek in die periode hetzelfde potentieel besmette voeder gekregen hebben, of

iii)

als het in punt ii) bedoelde onderzoek geen uitsluitsel biedt, alle runderen die in hetzelfde beslag als de BSE-gevallen en binnen twaalf maanden vóór of na de geboorte daarvan zijn geboren,

en

c)

als er in het betrokken land inheemse gevallen van BSE zijn geweest, de dieren zijn geboren:

i)

na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, daadwerkelijk is toegepast, of

ii)

na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren, indien die na de datum van het in punt i) bedoelde voederverbod ligt.

AFDELING B

Invoer uit een land of gebied met een gecontroleerd BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

het land of gebied overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b)

de dieren zijn geïdentificeerd met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en niet blootgesteld zijn aan de volgende runderen:

i)

alle BSE-gevallen;

ii)

alle runderen die in hun eerste levensjaar samen met de BSE-gevallen in hun eerste levensjaar zijn gehouden en die blijkens onderzoek in die periode hetzelfde potentieel besmette voeder gekregen hebben, of

iii)

als het in punt ii) bedoelde onderzoek geen uitsluitsel biedt, alle runderen die in hetzelfde beslag als de BSE-gevallen en binnen twaalf maanden vóór of na de geboorte daarvan zijn geboren;

c)

de dieren zijn geboren:

i)

na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, daadwerkelijk is toegepast, of

ii)

na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren, indien die na de datum van het in punt i) bedoelde voederverbod ligt.

AFDELING C

Invoer uit een land of gebied met een onbepaald BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een onbepaald BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

het land of gebied overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico;

b)

het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, is verboden en het verbod daadwerkelijk in het land of het gebied is toegepast;

c)

de dieren zijn geïdentificeerd met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en niet blootgesteld zijn aan de volgende runderen:

i)

alle BSE-gevallen;

ii)

alle runderen die in hun eerste levensjaar samen met de BSE-gevallen in hun eerste levensjaar zijn gehouden en die blijkens onderzoek in die periode hetzelfde potentieel besmette voeder gekregen hebben, of

iii)

als het in punt ii) bedoelde onderzoek geen uitsluitsel biedt, alle runderen die in hetzelfde beslag als de BSE-gevallen en binnen twaalf maanden vóór of na de geboorte daarvan zijn geboren;

d)

de dieren zijn geboren:

i)

ten minste twee jaar na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, daadwerkelijk is toegepast, of

ii)

na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren, indien die na de datum van het in punt i) bedoelde voederverbod ligt.

HOOFDSTUK C

Invoer van producten van dierlijke oorsprong van runderen, schapen en geiten

AFDELING A

Producten

Op de onderstaande producten van runderen, schapen en geiten, zoals omschreven in de volgende punten van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004, zijn naar gelang de BSE-risicocategorie van het land van oorsprong de voorwaarden van respectievelijk afdeling B, C of D van dit hoofdstuk van toepassing:

vers vlees, zoals omschreven in punt 1.10 van die bijlage;

gehakt vlees, zoals omschreven in punt 1.13 van die bijlage;

separatorvlees, zoals omschreven in punt 1.14 van die bijlage;

vleesbereidingen, zoals omschreven in punt 1.15 van die bijlage;

vleesproducten, zoals omschreven in punt 7.1 van die bijlage;

gesmolten dierlijke vetten, zoals omschreven in punt 7.5 van die bijlage;

kanen, zoals omschreven in punt 7.6 van die bijlage;

gelatine, zoals omschreven in punt 7.7 van die bijlage, van andere materialen dan huiden afgeleid;

collageen, zoals omschreven in punt 7.8 van die bijlage, van andere materialen dan huiden afgeleid;

behandelde magen, blazen en darmen, zoals omschreven in punt 7.9 van die bijlage.

AFDELING B

Invoer uit een land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico

Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit het volgende blijkt:

a)

het land of gebied is overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG ingedeeld als land respectievelijk gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico;

b)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden;

c)

de producten van runderen, schapen en geiten bevatten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1, en zijn daar niet van afgeleid;

d)

indien de dieren waarvan de producten van runderen zijn afgeleid, afkomstig zijn uit een overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd of een onbepaald BSE-risico ingedeeld land of gebied, mogen, in afwijking van punt c) van deze afdeling, karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, worden ingevoerd. Bij dergelijke invoer worden de runderkarkassen en delen van dergelijke karkassen die een wervelkolom bevatten zoals in bijlage V, punt 1, bij deze verordening als gespecificeerd risicomateriaal omschreven, gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare rode streep op het in artikel 13 of artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket. Daarnaast wordt in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 bedoelde Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (GDB) het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd;

e)

de producten van runderen, schapen en geiten bevatten geen separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten en zijn daar niet van afgeleid, tenzij de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in een overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG als land respectievelijk gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico ingedeeld land of gebied waar zich geen inheemse gevallen van BSE hebben voorgedaan;

f)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn niet geslacht na bedwelming door middel van injectie van gas in de schedelholte of onmiddellijk gedood volgens deze methode, en zijn niet geslacht nadat het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, is vernietigd, tenzij de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in een land of gebied dat overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico;

g)

indien de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, afkomstig zijn uit een overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico ingedeeld land of gebied, zijn aan de dieren geen vleesbeendermeel of kanen, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, vervoederd;

h)

indien de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, afkomstig zijn uit een overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico ingedeeld land of gebied, zijn de producten vervaardigd en behandeld op een wijze die waarborgt dat zij geen zenuw- en lymfeweefsel dat bij het ontbenen is vrijgelegd, bevatten en daar ook niet mee zijn besmet.

AFDELING C

Invoer uit een land of gebied met een gecontroleerd BSE-risico

 

1.

Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

het land of gebied overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt zijn bevonden;

c)

de dieren waarvan de voor uitvoer bestemde producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, niet zijn gedood door vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, door middel van een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door middel van injectie van gas in de schedelholte;

d)

de producten van runderen, schapen en geiten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1, of separatorvlees van beenderen van runderen, schapen of geiten bevatten en daar niet van zijn afgeleid.

 

2.

Voor producten van runderen mogen, in afwijking van punt 1, onder d), karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, worden ingevoerd.

 

3.

Wanneer de wervelkolom moet worden verwijderd, worden runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare rode streep op het in artikel 13 of artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket.

 

4.

In geval van invoer wordt in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie bedoelde Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (GDB) het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd.

 

5.

In geval van ingewanden van oorsprong uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico wordt voor de invoer van bewerkte ingewanden een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

het land of gebied overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in het land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico en bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt zijn bevonden;

c)

als de darmen van oorsprong zijn uit een land of gebied waar zich inheemse gevallen van BSE hebben voorgedaan:

i)

de dieren zijn geboren na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers daadwerkelijk wordt toegepast, of

ii)

de producten van runderen, schapen en geiten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1, bevatten en daar niet van zijn afgeleid.

DEEL D

Invoer uit een land of gebied met een onbepaald BSE-risico

 

1.

Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een onbepaald BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

aan de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, geen vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, zijn vervoederd en zij bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt zijn bevonden;

b)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, niet zijn gedood door vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, door middel van een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door middel van injectie van gas in de schedelholte;

c)

de producten van runderen, schapen en geiten niet het volgende materiaal bevatten, en daar ook niet van zijn afgeleid:

i)

gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1;

ii)

zenuw- en lymfeweefsel dat bij het ontbenen is vrijgelegd;

iii)

separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten.

 

2.

Voor producten van runderen mogen, in afwijking van punt 1, onder c), karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, worden ingevoerd.

 

3.

Wanneer de wervelkolom moet worden verwijderd, worden runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare rode streep op het in artikel 13 of artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket;

 

4.

In geval van invoer wordt in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 bedoelde Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst (GDB) het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd.

 

5.

In geval van ingewanden van oorsprong uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico wordt voor de invoer van bewerkte ingewanden een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a)

het land of gebied overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico;

b)

de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in het land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico en bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt zijn bevonden;

c)

als de darmen van oorsprong zijn uit een land of gebied waar zich inheemse gevallen van BSE hebben voorgedaan:

i)

de dieren zijn geboren na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers daadwerkelijk wordt toegepast, of

ii)

de producten van runderen, schapen en geiten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1, bevatten en daar niet van zijn afgeleid.

HOOFDSTUK D

Invoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten van runderen, schapen en geiten

AFDELING A

Dierlijke bijproducten

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende dierlijke bijproducten, zoals omschreven in artikel 3, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, alsmede op de volgende afgeleide producten, zoals omschreven in punt 2 van dat artikel, mits die dierlijke bijproducten en afgeleide producten afkomstig zijn van runderen, schapen of geiten:

a)

van categorie 2-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars, zoals omschreven in artikel 3, punt 22, van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

van categorie 2-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

c)

van categorie 3-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars of als diervoeder, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22, respectievelijk 25, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of de grondstoffen daarvan;

d)

voeder voor gezelschapsdieren, met inbegrip van hondenkluiven;

e)

bloedproducten;

f)

verwerkte dierlijke eiwitten;

g)

van categorie 3-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

h)

van andere materialen dan huiden afgeleide gelatine en collageen;

i)

categorie 3-materiaal en afgeleide producten, niet onder c) tot en met h) genoemd, met uitzondering van:

i)

verse huiden, behandelde huiden;

ii)

van huiden afgeleide gelatine en collageen;

iii)

vetderivaten.

AFDELING B

Gezondheidscertificering

Voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten van runderen, schapen en geiten is een diergezondheidscertificaat vereist waarin het volgende wordt verklaard:

a)

het dierlijke bijproduct of afgeleide product:

i)

bevat geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V, punt 1, en is daar niet van afgeleid, en

ii)

bevat geen separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten en is daar niet van afgeleid, tenzij de dieren waarvan het dierlijke bijproduct of afgeleide product is afgeleid, zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in een overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG als land respectievelijk gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico ingedeeld land of gebied waar zich geen inheemse gevallen van BSE hebben voorgedaan, en

iii)

is afgeleid van dieren die niet zijn gedood door vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, door middel van een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door middel van injectie van gas in de schedelholte, met uitzondering van dieren die zijn geboren, ononderbroken gehouden en geslacht in een land of gebied dat overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico, of

b)

het dierlijke bijproduct of afgeleide product bevat geen materiaal van runderen, schapen of geiten en is daar niet van afgeleid, met uitzondering van materiaal dat afkomstig is van dieren die geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in een land of gebied dat overeenkomstig Beschikking 2007/453/EG is ingedeeld als land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico.

Naast de punten a) en b) van deze afdeling is voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten die melk of melkproducten van schapen of geiten bevatten en bedoeld zijn voor vervoedering, een diergezondheidscertificaat vereist waarin het volgende wordt verklaard:

c)

de schapen en geiten waarvan die dierlijke bijproducten of afgeleide producten zijn afgeleid, zijn sinds de geboorte ononderbroken gehouden in een land dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

i)

er geldt een aangifteplicht voor klassieke scrapie;

ii)

er is een systeem van bewustmaking, bewaking en toezicht;

iii)

er gelden officiële beperkingen voor bedrijven met schapen of geiten bij een verdenking op een TSE of een bevestiging van klassieke scrapie;

iv)

schapen en geiten met klassieke scrapie worden gedood en volledig vernietigd;

v)

in het hele land is het vervoederen van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, aan schapen en geiten al ten minste gedurende de voorafgaande zeven jaar verboden en dat verbod wordt ook daadwerkelijk toegepast;

d)

de melk en melkproducten van schapen en geiten zijn afkomstig van bedrijven waarvoor geen officiële beperkingen gelden in verband met een verdenking op een TSE;

e)

de melk en melkproducten van schapen en geiten zijn afkomstig van bedrijven waar gedurende de voorafgaande zeven jaar geen geval van klassieke scrapie is gediagnosticeerd, of waar, indien een geval van klassieke scrapie bevestigd is:

i)

alle schapen en geiten op het bedrijf zijn gedood en vernietigd of geslacht, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR, fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel en alle andere schapen met ten minste één ARR-allel, of

ii)

alle dieren waarbij klassieke scrapie is bevestigd, zijn gedood en vernietigd en op het bedrijf gedurende ten minste twee jaar na de bevestiging van het laatste geval van klassieke scrapie toezicht op de aanwezigheid van TSE's wordt uitgeoefend, waarbij alle volgende dieren die ouder zijn dan 18 maanden, met uitzondering van schapen met genotype ARR/ARR, op de aanwezigheid van een TSE worden getest overeenkomstig de in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, vastgestelde laboratoriumtechnieken en protocollen:

dieren die voor menselijke consumptie geslacht zijn, en

dieren die op het bedrijf gestorven of gedood zijn, maar niet in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn gedood.

HOOFDSTUK E

Invoer van schapen en geiten

Voor de invoer van schapen en geiten in de Unie is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat zij sinds de geboorte ononderbroken zijn gehouden in een land dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

1.

er geldt een aangifteplicht voor klassieke scrapie;

2.

er is een systeem van bewustmaking, bewaking en toezicht;

3.

schapen en geiten met klassieke scrapie worden gedood en volledig vernietigd;

4.

in het hele land is het vervoederen van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, aan schapen en geiten al ten minste gedurende de voorafgaande zeven jaar verboden en dat verbod wordt ook daadwerkelijk toegepast.

Naast de in de punten 1 tot en met 4 genoemde voorwaarden wordt in het diergezondheidscertificaat het volgende verklaard:

5.

voor fokschapen en fokgeiten die in de Unie worden ingevoerd en bestemd zijn voor lidstaten waar geen verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie is en die geen goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma hebben zoals vermeld in bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 3.2, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

de ingevoerde schapen en geiten komen van een of meer bedrijven die aan de voorwaarden van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 1.3, voldoen, of

b)

het zijn schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR en zij komen van een bedrijf waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperking in verband met BSE of klassieke scrapie heeft gegolden;

6.

voor fokschapen en fokgeiten voor alle toepassingen behalve onmiddellijke slacht, die in de Unie worden ingevoerd en bestemd zijn voor een lidstaat met een verwaarloosbaar risico op klassieke scrapie of een goedgekeurd nationaal scrapiebestrijdingsprogramma zoals vermeld in bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 3.2, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

a)

zij komen van een of meer bedrijven die aan de voorwaarden van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 1.2, voldoen, of

b)

het zijn schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR en zij komen van een bedrijf waarvoor de afgelopen twee jaar geen officiële verplaatsingsbeperking in verband met BSE of klassieke scrapie heeft gegolden.

HOOFDSTUK F

Invoer van producten van dierlijke oorsprong van gekweekte en wilde hertachtigen

 

1.

Wanneer vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten zoals respectievelijk omschreven in bijlage I, punten 1.10, 1.13, 1.15 en 7.1, bij Verordening (EG) nr. 853/2004, afgeleid van gekweekte hertachtigen, uit Canada of de Verenigde Staten in de Unie worden ingevoerd, gaan de gezondheidscertificaten vergezeld van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring:

„Dit product bevat uitsluitend of is uitsluitend afgeleid van vlees, met uitzondering van slachtafval en ruggenmerg, van gekweekte hertachtigen die bij histopathologisch of immunohistochemisch onderzoek of met behulp van een andere door de bevoegde autoriteit erkende diagnostische methode negatief zijn bevonden op Chronic Wasting Disease en is niet afkomstig van dieren van een beslag waarin gevallen van Chronic Wasting Disease zijn vastgesteld of die ziekte officieel vermoed wordt.”.

 

2.

Wanneer vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten zoals respectievelijk omschreven in bijlage I, punten 1.10, 1.13, 1.15 en 7.1, bij Verordening (EG) nr. 853/2004, afgeleid van wilde hertachtigen, uit Canada of de Verenigde Staten in de Unie worden ingevoerd, gaan de gezondheidscertificaten vergezeld van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring:

„Dit product bevat of is uitsluitend afkomstig van vlees, met uitzondering van slachtafval en ruggenmerg, van wilde hertachtigen die bij histopathologisch of immunohistochemisch onderzoek of met behulp van een andere door de bevoegde autoriteit erkende diagnostische methode negatief zijn bevonden op Chronic Wasting Disease en is niet afkomstig van dieren uit een gebied waar in de afgelopen drie jaar gevallen van Chronic Wasting Disease zijn vastgesteld of die ziekte officieel vermoed wordt.”.

HOOFDSTUK H

Invoer van sperma en embryo's van schapen en geiten

Voor de invoer van sperma en embryo's van schapen en geiten in de Unie is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat de donordieren:

1.

sinds de geboorte ononderbroken zijn gehouden in een land dat aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

er geldt een aangifteplicht voor klassieke scrapie;

b)

er is een systeem van bewustmaking, bewaking en toezicht;

c)

schapen en geiten met klassieke scrapie worden gedood en volledig vernietigd;

d)

in het hele land is het vervoederen van vleesbeendermeel en kanen afkomstig van herkauwers, zoals omschreven in de gezondheidscode voor landdieren (Terrestrial Animal Health Code) van de OIE, aan schapen en geiten al ten minste gedurende de voorafgaande zeven jaar verboden en dat verbod wordt ook daadwerkelijk toegepast, en

2.

gedurende een periode van drie jaar voorafgaande aan de datum waarop het uitgevoerde sperma of de uitgevoerde embryo's zijn gewonnen, ononderbroken zijn gehouden op een of meer bedrijven die gedurende die periode aan alle vereisten van bijlage VIII, hoofdstuk A, afdeling A, punt 1.3, onder a) tot en met f), hebben voldaan, tenzij het bedrijf een spermacentrum is, mits het spermacentrum voldoet aan de voorwaarden van punt 1.3, onder c), iv), van die afdeling, of

a)

als het gaat om sperma van schapen, dat sperma is gewonnen van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR, of

b)

als het gaat om embryo's van schapen, de embryo's ten minste één ARR-allel hebben.

(*****)  Beschikking 2007/453/EG van de Commissie van 29 juni 2007 tot vaststelling van de BSE-status van lidstaten, derde landen of gebieden daarvan naar gelang van hun BSE-risico (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 84).”."



 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving