Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Arrow
Arrow
Slider

2.1-4.3

VERORDENING (EU) Nr. 691/2013 VAN DE COMMISSIE

van 19 juli 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 152/2009 wat de bemonstering en analysemethoden betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 11, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit Verordening (EG) nr. 152/2009 van de Commissie van 27 januari 2009 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders (2) is de noodzaak gebleken om de bepalingen betreffende de bemonstering aan te passen aan de recente ontwikkelingen in de wijze waarop diervoeders worden geproduceerd, opgeslagen, vervoerd en in de handel gebracht.

(2)

De bemonstering voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong moet worden uitgevoerd in overeenstemming met Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG (3). De bemonsteringsvoorschriften van Richtlijn 2002/63/EG zijn minimumeisen, en de bij deze verordening vastgestelde bemonsteringsvoorschriften zijn in het algemeen ten minste gelijk aan of strenger dan deze minimumeisen, met uitzondering van de grootte van het eindmonster voor bepaalde goederen. Door de opneming van de bepalingen met betrekking tot de grootte van het eindmonster voor de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen, kunnen de bemonsteringswijzen in deze verordening ook worden toegepast voor de controle op bestrijdingsmiddelenresiduen.

(3)

Verordening (EU) nr. 619/2011 van de Commissie (4) stelt de bemonsterings- en analysemethoden vast voor de officiële controle van diervoeders wat betreft de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal waarvoor een vergunningsprocedure hangende is of waarvan de vergunning is verstreken. Wat de bemonstering betreft, wordt in Verordening (EU) nr. 619/2011 verwezen naar de bepalingen van Verordening (EG) nr. 152/2009, waarbij specifieke bepalingen over de grootte van de monsters worden vastgesteld. De bij deze verordening ingevoerde wijzigingen omvatten specifieke bepalingen wat de grootte van de monsters betreft; daarom moeten de bemonsteringsmethoden zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 152/2009 zoals gewijzigd bij deze verordening eveneens worden toegepast op de controle op de naleving van Verordening (EU) nr. 619/2011.

(4)

Er is een zekere periode nodig om de nieuwe bemonsteringsmethode in te voeren.

(5)

Verordening (EG) nr. 152/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 152/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

De bemonstering voor de officiële controle van diervoeders, met name in verband met de bepaling van de bestanddelen, met inbegrip van materiaal dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit of is geproduceerd met genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), toevoegingsmiddelen voor diervoeding als omschreven in Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad (5), en ongewenste stoffen als omschreven in Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), worden uitgevoerd volgens de methoden zoals beschreven in bijlage I.

De in bijlage I beschreven bemonsteringsmethoden zijn van toepassing op de controle van diervoeders in verband met de bepaling van bestrijdingsmiddelenresiduen zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (7) en de controle op de naleving van Verordening (EU) nr. 619/2011.

2)

Bijlage I wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening.

3)

Bijlage II wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(2)  PB L 54 van 26.2.2009, blz. 1.

(3)  PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30.

(4)  PB L 166 van 25.6.2011, blz. 9.

(5)  PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(6)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(7)  PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.”.


BIJLAGE I

„BIJLAGE I

BEMONSTERINGSMETHODEN

1.   DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

De monsters voor de officiële controle van diervoeders worden genomen volgens de hierna beschreven methoden. De aldus verkregen monsters worden representatief geacht voor de bemonsterde partijen.

Representatieve bemonstering heeft als doel een kleine fractie van een zending te verkrijgen op zodanige wijze dat de bepaling van een kenmerk van deze fractie representatief is voor de gemiddelde waarde van het kenmerk van de hele zending. De zending wordt bemonsterd door het herhaaldelijk nemen van basismonsters op verschillende afzonderlijke delen van de zending. Deze basismonsters worden door menging samengevoegd tot een verzamelmonster, waaruit de representatieve eindmonsters worden bereid door middel van representatieve verdeling.

Indien bij visuele inspectie blijkt dat delen van het te bemonsteren diervoeder in kwaliteit verschillen van de rest van het voeder van dezelfde zending, worden deze delen gescheiden van de rest van het voeder en behandeld als afzonderlijk deel van de zending. Indien het diervoeder niet kan worden gesplitst in afzonderlijke delen, wordt het diervoeder bemonsterd als één zending. In die gevallen moet dit worden vermeld in het monsternemingsverslag.

Wanneer van een volgens de bepalingen van deze verordening bemonsterd diervoeder wordt vastgesteld dat het niet aan de EU-voorschriften voldoet, en het tot een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving behoort, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij uitvoerig onderzoek uitwijst dat er geen aanwijzingen zijn dat de rest van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet.

2.   DEFINITIES

—   Zending: een geïdentificeerde hoeveelheid diervoeder waarbij gemeenschappelijke kenmerken zijn vastgesteld, zoals herkomst, soort, type verpakking, verpakker, verzender of etikettering; en in het geval van een productieproces, een productie-eenheid van één enkel bedrijf dat bij de productie gebruikmaakt van uniforme parameters of een aantal van dergelijke eenheden, wanneer deze direct na elkaar wordt geproduceerd en samen wordt opgeslagen.

—   Partij: een zending of een geïdentificeerd deel van de zending.

—   Verzegeld monster: een monster dat zodanig is verzegeld dat het monster niet bereikbaar is zonder het zegel te verbreken of te verwijderen.

—   Basismonster: een hoeveelheid die op een bepaald punt uit de partij is genomen.

—   Verzamelmonster: het geheel van basismonsters van dezelfde partij.

—   Deelmonster: een gedeelte van het verzamelmonster dat wordt verkregen door dat monster representatief te verkleinen.

—   Eindmonster: een gedeelte van het deelmonster of van het gehomogeniseerde verzamelmonster.

—   Laboratoriummonster: een monster dat voor het laboratorium bestemd is (zoals door het laboratorium ontvangen); dit kan het eindmonster, het deelmonster of het verzamelmonster zijn.

3.   ALGEMENE BEPALINGEN

Bemonsteraars: de monsters worden genomen door personen die daartoe door de bevoegde instantie zijn gemachtigd.

Het monster wordt zodanig verzegeld dat het niet bereikbaar is zonder het zegel te verbreken of te verwijderen. Het merk van het zegel moet duidelijk herkenbaar en goed zichtbaar zijn. Een andere mogelijkheid is dat het monster wordt opgeslagen in een recipiënt die zodanig kan worden gesloten dat openen niet mogelijk is zonder de recipiënt onherstelbaar te beschadigen, zodat hergebruik ervan onmogelijk is.

Identificatie van het monster: het monster wordt onuitwisbaar gemerkt en wordt zodanig geïdentificeerd dat er een ondubbelzinnige verwijzing naar het monsternemingsverslag wordt gemaakt.

Uit elk verzamelmonster worden ten minste twee eindmonsters genomen: ten minste één voor controle (handhaving) en één voor de exploitant van het diervoederbedrijf (verhaal). Eventueel kan één eindmonster voor arbitragedoeleinden worden gebruikt. Indien het hele verzamelmonster wordt gehomogeniseerd, worden de eindmonsters uit het gehomogeniseerde verzamelmonster genomen, tenzij deze procedure in strijd is met de regelgeving van de lidstaat inzake de rechten van de exploitant van het diervoederbedrijf.

4.   APPARATUUR

4.1.   De bemonsteringsapparatuur moet zijn vervaardigd uit materiaal dat de te bemonsteren producten niet verontreinigt. Apparatuur die bedoeld is om meermaals te worden gebruikt, moet gemakkelijk schoon te maken zijn om kruiscontaminatie te voorkomen.

4.2.   Aanbevolen apparatuur voor de bemonstering van vaste diervoeders

4.2.1.   Handmatige bemonstering

4.2.1.1.   Schop met platte bodem en verticale randen

4.2.1.2.   Monsterboor met lange gleuf of met een in vakken ingedeelde gleuf. De afmetingen van de boor moeten zijn aangepast aan de eigenschappen van de partij (diepte van de verpakking, afmetingen van de zak enz.) en aan de grootte van de deeltjes waaruit het diervoeder is samengesteld.

Ingeval de monsterboor verscheidene openingen heeft om te zorgen dat de steekproef op verschillende plaatsen langs de boor wordt genomen, moeten de openingen worden gescheiden door compartimenten of moeten de openingen gedraaid ten opzichte van elkaar zijn aangebracht.

4.2.2.   Mechanische bemonstering

Voor de bemonstering van diervoeders die in beweging zijn, mag gebruik worden gemaakt van geschikte mechanische apparaten. „Geschikt” wil zeggen dat ten minste de hele doorsnede van de stroom wordt bemonsterd.

De bemonstering van diervoeders in beweging (op hoge stroomsnelheden) mag worden verricht door automatische monsternemers.

4.2.3.   Monsterverdeler

Indien mogelijk en dienstig, moet voor de bereiding van representatieve deelmonsters apparatuur worden gebruikt die is ontworpen om het monster in ongeveer gelijke delen te verdelen.

5.   KWANTITATIEVE VEREISTEN WAT HET AANTAL BASISMONSTERS BETREFT

De kwantitatieve vereisten in de punten 5.1 en 5.2 wat het aantal basismonsters betreft, zijn van toepassing op partijen van maximaal 500 ton die op representatieve wijze kunnen worden bemonsterd. De beschreven bemonsteringsprocedure geldt evenzeer voor grotere hoeveelheden dan de voorgeschreven maximale partijgrootte, mits het in de onderstaande tabellen vermelde maximumaantal basismonsters buiten beschouwing wordt gelaten; het aantal basismonsters wordt bepaald door de vierkantswortelformule in het desbetreffende gedeelte van de procedure (zie punt 5.3), waarbij de minimumgrootte van het verzamelmonster evenredig wordt verhoogd. Dit belet niet dat een grote zending wordt onderverdeeld in kleinere delen en elk deel wordt bemonsterd volgens de in de punten 5.1 en 5.2 omschreven procedure.

De grootte van de partij moet zodanig zijn dat elk deel van deze partij kan worden bemonsterd.

Voor zeer grote zendingen of delen daarvan (> 500 ton) en voor zendingen die op zodanige wijze worden vervoerd of opgeslagen dat een steekproef niet mogelijk is overeenkomstig de procedure van de punten 5.1 en 5.2 van dit hoofdstuk, is de bemonsteringsprocedure van punt 5.3 van toepassing.

Indien de exploitant van een diervoederbedrijf wettelijk verplicht is deze verordening na te komen in het kader van een verplicht toezichtsysteem, mag hij of zij afwijken van de in dit hoofdstuk vastgestelde kwantitatieve vereisten om de operationele kenmerken in aanmerking te nemen, mits hij of zij ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond dat de bemonsteringsprocedure even representatief is en na toestemming van de bevoegde autoriteit.

In uitzonderlijke gevallen, als het niet mogelijk is de bemonsteringsmethode toe te passen wat de kwantitatieve vereisten betreft, omdat de partij onaanvaardbare economische schade zou oplopen (in verband met de vorm van de verpakking, vervoerswijze, manier van opslag enz.), mag een alternatieve bemonsteringmethode worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is en volledig wordt beschreven en gedocumenteerd.

5.1.   Kwantitatieve vereisten wat betreft de basismonsters voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig in het voeder zijn verdeeld

5.1.1.   Onverpakte vaste diervoeders

Grootte van de partij

Minimumaantal basismonsters

≤ 2,5 ton

7

> 2,5 ton

√20 maal het aantal ton waaruit de partij is samengesteld (1), tot 40 basismonsters

5.1.2.   Onverpakte vloeibare diervoeders

Grootte van de partij

Minimumaantal basismonsters

≤ 2,5 ton of ≤ 2 500 liter

4 (2)

> 2,5 ton of > 2 500 liter

7 (2)

5.1.3.   Verpakte diervoeders

Diervoeders (vast en vloeibaar) kunnen worden verpakt in zakken, dozen, vaten enz. die in de tabel worden aangeduid als eenheden. Grote eenheden (≥ 500 kg of liter) moeten worden bemonsterd volgens de bepalingen voor onverpakte diervoeders (zie de punten 5.1.1 en 5.1.2).

Grootte van de partij

Minimumaantal eenheden waarvan (ten minste) één basismonster moet worden genomen (3)

1 à 20 stuks

1 eenheid (4)

21 à 150 stuks

3 eenheden (4)

151 à 400 stuks

5 eenheden (4)

> 400 stuks

¼ van de √aantal eenheden waaruit de partij is samengesteld (5), tot 40 eenheden

5.1.4.   Voederblokken en likstenen

Minimaal één te bemonsteren blok of liksteen per partij van 25 eenheden, tot maximaal vier blokken of likstenen.

Voor blokken of likstenen met een massa van niet meer dan 1 kg per stuk, bestaat het basismonster uit één blok of liksteen.

5.1.5.   Ruwvoedergewassen/voedergewassen

Grootte van de partij

Minimumaantal basismonsters (6)

≤ 5 ton

5

> 5 ton

√5 maal het aantal ton waaruit de partij is samengesteld (7), tot maximaal 40 basismonsters

5.2.   Kwantitatieve vereisten betreffende de basismonsters voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk ongelijkmatig in het voeder zijn verdeeld

Deze kwantitatieve vereisten inzake basismonsters moeten worden gebruikt in de volgende situaties:

controle op aflatoxinen, moederkoren, andere mycotoxinen en schadelijke botanische onzuiverheden in voedermiddelen;

controle op kruiscontaminatie door bestanddelen, inclusief genetisch gemodificeerd materiaal, of stoffen die waarschijnlijk niet gelijkmatig in het voedermiddel verdeeld zijn.

Ingeval de controlerende autoriteit een sterk vermoeden heeft dat er ook sprake is van een dergelijke ongelijkmatige verdeling in geval van kruiscontaminatie door een bestanddeel of een stof in een mengvoeder, mogen de in onderstaande tabel vastgestelde kwantitatieve vereisten worden toegepast.

Grootte van de partij

Minimumaantal basismonsters

< 80 ton

Zie kwantitatieve vereisten in punt 5.1. Het aantal basismonsters dat moet worden genomen, moet worden vermenigvuldigd met de factor 2,5.

≥ 80 ton

100

5.3.   Kwantitatieve vereisten betreffende de basismonsters in het geval van zeer grote zendingen

In het geval van grote partijen (partijen > 500 ton) is het aantal basismonsters dat moet worden genomen gelijk aan 40 basismonsters + √ton voor de controle van stoffen of producten die gelijkmatig in het diervoeder zijn verdeeld, of 100 basismonsters + √ton voor de controle van bestanddelen of stoffen die waarschijnlijk niet gelijkmatig in voedermiddelen verdeeld zijn.

6.   KWANTITATIEVE VEREISTEN WAT HET VERZAMELMONSTER BETREFT

Per partij is één verzamelmonster vereist.

 

Aard van het voeder

Minimumgrootte van het verzamelmonster (8)  (9)

6.1.

Onverpakte diervoeders

4 kg

6.2.

Verpakte diervoeders

4 kg (10)

6.3.

Vloeibare of halfvloeibare diervoeders

4 liter

6.4.

Voederblokken en likstenen:

6.4.1.

met een massa van meer dan 1 kg per stuk

4 kg

6.4.2.

met een massa van niet meer dan 1 kg per stuk

massa van vier oorspronkelijke blokken of likstenen

6.5.

Ruwvoedergewassen/voedergewassen

4 kg (11)

7.   KWANTITATIEVE VEREISTEN WAT DE EINDMONSTERS BETREFT

Eindmonsters

Er moet ten minste één eindmonster worden geanalyseerd. Het voor de analyse bestemde eindmonster omvat minimaal:

vaste diervoeders

500 g (12)  (13)  (14)

vloeibare of halfvloeibare diervoeders

500 ml (12)

8.   BEMONSTERINGSMETHODE VOOR ZEER GROTE ZENDINGEN OF ZENDINGEN DIE WORDEN OPGESLAGEN OF VERVOERD OP EEN WIJZE DIE BEMONSTERING VAN DE HELE ZENDING ONMOGELIJK MAAKT

8.1.   Algemene beginselen

Indien de wijze van vervoer of opslag het onmogelijk maakt om basismonsters van de hele zending te nemen, moet de bemonstering ervan bij voorkeur gebeuren wanneer de zending in beweging is.

Bij grote loodsen die bestemd zijn voor de opslag van diervoeders, moeten de exploitanten worden aangemoedigd om in de loods apparatuur te installeren die een (automatische) bemonstering van de hele opgeslagen zending mogelijk maakt.

Bij toepassing van de bemonsteringsprocedures als bedoeld in dit hoofdstuk 8, wordt de exploitant van het diervoederbedrijf of zijn vertegenwoordiger in kennis gesteld van de bemonsteringsprocedure. Als deze bemonsteringsmethode wordt betwist door de exploitant van het diervoederbedrijf of zijn vertegenwoordiger, stelt deze exploitant of zijn vertegenwoordiger de bevoegde autoriteit in staat de gehele zending te bemonsteren op zijn/haar kosten.

8.2.   Grote zendingen die vervoerd worden per schip

8.2.1.   Dynamische bemonstering van grote zendingen die vervoerd worden per schip

De bemonstering van grote zendingen in schepen wordt bij voorkeur uitgevoerd terwijl het product in beweging is (dynamische bemonstering).

De bemonstering wordt gedaan per ruim (eenheid die fysiek kan worden gescheiden). De ruimen worden echter een voor een gedeeltelijk gelost, zodat de oorspronkelijke fysieke scheiding na overbrenging in de opslaginstallaties niet meer bestaat. Daarom kan de bemonstering worden verricht naargelang van de eerste fysieke scheiding of afhankelijk van de scheiding na overbrenging in de opslaginstallaties.

Het lossen van een schip kan een aantal dagen in beslag nemen. Doorgaans moet de bemonstering worden verricht op gezette tijden tijdens de gehele duur van het lossen. Het is voor een officiële inspecteur echter niet altijd mogelijk of wenselijk om gedurende de gehele lossing aanwezig te zijn voor de bemonstering. Daarom is het toegestaan dat een deel (partij) van de gehele zending wordt bemonsterd. Het aantal basismonsters wordt bepaald aan de hand van de grootte van de partij.

Indien bij bemonstering van een deel van een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving is vastgesteld dat dat deel van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij na uitvoerig onderzoek is gebleken dat er geen bewijs is dat de rest van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet.

Zelfs als het officiële monster automatisch wordt genomen, is de aanwezigheid van een inspecteur noodzakelijk. In geval de automatische bemonstering gebeurt met vaste parameters die tijdens de bemonstering niet kunnen worden gewijzigd en de basismonsters worden verzameld in een gesloten recipiënt, waardoor iedere mogelijke fraude wordt uitgesloten, is de aanwezigheid van een inspecteur alleen verplicht bij het begin van de bemonstering, telkens wanneer de recipiënt van de monsters moet worden vervangen en aan het einde van de bemonstering.

8.2.2.   Bemonstering van zendingen die vervoerd worden per schip door statische bemonstering

Indien de bemonstering op statische wijze gebeurt, moet dezelfde procedure als die voor van bovenaf toegankelijke opslaginstallaties (silo’s) worden toegepast (zie punt 8.4.1).

De bemonstering moet worden verricht op het (van boven) toegankelijke deel van de zending/het ruim). Het aantal basismonsters wordt bepaald aan de hand van de grootte van de partij. Indien bij bemonstering van een deel van een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving is vastgesteld dat dat deel van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij na uitvoerig onderzoek is gebleken dat er geen bewijs is dat de rest van de partij niet aan de EU-voorschriften voldoet.

8.3.   Bemonstering van grote zendingen in loodsen

De bemonstering moet worden verricht op het toegankelijke deel van de zending. Het aantal basismonsters wordt bepaald aan de hand van de grootte van de partij. Indien bij bemonstering van een deel van een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving is vastgesteld dat dat deel van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij na uitvoerig onderzoek is gebleken dat er geen bewijs is dat de rest van de partij niet aan de EU-voorschriften voldoet.

8.4.   Bemonstering van opslaginstallaties (silo’s)

8.4.1.   Bemonstering van silo's die (gemakkelijk) van bovenaf toegankelijk zijn

De bemonstering moet worden verricht op het toegankelijke deel van de zending. Het aantal basismonsters wordt bepaald aan de hand van de grootte van de bemonsterde partij. Indien bij bemonstering van een deel van een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving is vastgesteld dat dat deel van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij na uitvoerig onderzoek is gebleken dat er geen bewijs is dat de rest van de partij niet aan de EU-voorschriften voldoet.

8.4.2.   Bemonstering van silo’s die niet van bovenaf toegankelijk zijn (afgesloten silo’s)

8.4.2.1.   Silo’s die niet van bovenaf toegankelijk zijn (afgesloten silo’s) met een capaciteit van > 100 ton

Diervoeders die in dergelijke silo’s zijn opgeslagen, kunnen niet statisch bemonsterd worden. Daarom moet, indien het diervoeder in de silo moet worden bemonsterd en er geen mogelijkheid is om de zending te verplaatsen, met de exploitant worden overeengekomen dat hij of zij de inspecteur meedeelt wanneer de silo worden gelost, zodat het diervoeder kan worden bemonsterd terwijl het in beweging is.

8.4.2.2.   Silo’s die niet van bovenaf toegankelijk zijn (afgesloten silo’s) met een capaciteit van < 100 ton

De bemonsteringsprocedure bestaat uit het vullen van een recipiënt met 50 à 100 kg en de bemonstering ervan. De grootte van het verzamelmonster komt overeen met de hele zending en het aantal basismonsters staat in verhouding tot de hoeveelheid van de silo die in een recipiënt is gestort voor bemonstering. Indien bij bemonstering van een deel van een zending diervoeder van dezelfde klasse of omschrijving is vastgesteld dat dat deel van de zending niet aan de EU-voorschriften voldoet, wordt aangenomen dat dit voor de hele zending geldt, tenzij na uitvoerig onderzoek is gebleken dat er geen bewijs is dat de rest van de partij niet aan de EU-voorschriften voldoet.

8.5.   Bemonstering van onverpakte diervoeders in grote gesloten containers

Dergelijke zendingen kunnen vaak alleen worden bemonsterd tijdens het lossen. In bepaalde gevallen is het niet mogelijk om te lossen op de plaats van invoer of controle en daarom moet de bemonstering plaatsvinden wanneer de containers worden gelost.

9.   INSTRUCTIES BETREFFENDE DE BEMONSTERING EN DE BEREIDING EN VERPAKKING VAN DE MONSTERS

9.1.   Algemeen

De monsters moeten zonder onnodig uitstel worden genomen en bereid, met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen die vereist zijn om verandering of verontreiniging van het product te voorkomen. De bemonsteringsapparatuur alsmede de oppervlakken en recipiënten die bestemd zijn voor de monsters moeten schoon en droog zijn.

9.2.   Basismonsters

De basismonsters moeten op willekeurige wijze uit de gehele partij worden genomen. De massa of het volume ervan moet ongeveer gelijk zijn.

De grootte van het basismonster bedraagt ten minste 100 g of 25 g in geval van ruwvoeder of voeder met een lage dichtheid.

Indien volgens de in hoofdstuk 8 vastgelegde voorschriften voor de bemonsteringprocedure minder dan 40 basismonsters moeten worden genomen, wordt de grootte van de basismonsters bepaald afhankelijk van de vereiste grootte van het verzamelmonster (zie hoofdstuk 6).

In geval van bemonstering van kleine zendingen van verpakte diervoeders waar volgens de kwantitatieve vereisten een beperkt aantal basismonsters moeten worden genomen, bestaat het basismonster uit de inhoud van één oorspronkelijke eenheid met een inhoud van niet meer dan 1 kg of 1 liter.

In geval van bemonstering van verpakte diervoeders die zijn samengesteld uit kleine eenheden (bijvoorbeeld < 250 g), hangt de grootte van het basismonster af van de grootte van de eenheid.

9.2.1.   Onverpakte diervoeders

Eventueel kunnen de monsters worden genomen wanneer de partij in beweging wordt gebracht (laden of lossen).

9.2.2.   Verpakte diervoeders

Nadat het vereiste aantal te bemonsteren eenheden genomen is, zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven, wordt uit de inhoud van elke eenheid met een boor of een schop een gedeelte genomen. Eventueel worden de monsters genomen nadat de eenheden afzonderlijk zijn geledigd.

9.2.3.   Vloeibare of halfvloeibare homogene of homogeniseerbare diervoeders

Nadat het vereiste aantal te bemonsteren eenheden gekozen is, zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven, wordt uit elke eenheid een monster genomen nadat zo nodig de inhoud ervan gehomogeniseerd is.

De basismonsters kunnen eventueel worden genomen bij het aftappen van het product.

9.2.4.   Vloeibare of halfvloeibare niet-homogeniseerbare diervoeders

Nadat het vereiste aantal te bemonsteren eenheden genomen is, zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven, worden op verschillende niveaus monsters genomen.

De monsters mogen ook worden genomen bij het aftappen van het product, nadat de eerste fracties ervan zijn verwijderd.

In beide gevallen mag het totale volume van de monsters niet minder dan 10 liter bedragen.

9.2.5.   Voederblokken en likstenen

Nadat het vereiste aantal te bemonsteren blokken of likstenen genomen is, zoals in hoofdstuk 5 is aangegeven, wordt een gedeelte van elk blok of elke liksteen genomen. Indien het vermoeden bestaat dat een blok of liksteen niet-homogeen is, kan het gehele blok of de hele steen als monster worden genomen.

Voor blokken of likstenen met een massa van niet meer dan 1 kg per stuk, bestaat het basismonster uit de inhoud van één blok of liksteen.

9.3.   Bereiding van de verzamelmonsters

De basismonsters worden samengevoegd zodat één verzamelmonster wordt verkregen.

9.4.   Bereiding van de eindmonsters

Elk verzamelmonster wordt zorgvuldig gemengd (15).

Elk monster wordt in een daartoe geschikte recipiënt overgebracht. Alle nodige voorzorgen moeten worden genomen om elke wijziging in de samenstelling van het monster of elke verontreiniging of verandering die tijdens het vervoer of de opslag kan plaatsvinden, te voorkomen.

Als bij de controle van bestanddelen of stoffen die gelijkmatig in het diervoeder verdeeld zijn, het verzamelmonster op representatieve wijze kan worden verkleind tot ten minste 2,0 kg of 2,0 liter (deelmonster) (16), bij voorkeur met behulp van een mechanische of automatische monsterverdeler. Voor de controle op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelenresiduen in peulvruchten, granen en noten bedraagt de minimumgrootte van het deelmonster 3 kg. Indien door de aard van het diervoeder geen monsterverdeler kan worden gebruikt of de verdeler is niet beschikbaar, mag het monster worden verkleind door kwarteren. Van de deelmonsters worden vervolgens de eindmonsters (voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden) bereid met ongeveer dezelfde massa of hetzelfde volume dat overeenstemt met de kwantitatieve vereisten van hoofdstuk 7. In geval van controle van de bestanddelen, inclusief genetisch gemodificeerd materiaal of stoffen die waarschijnlijk niet gelijkmatig in voedermiddelen zijn verdeeld, wordt het verzamelmonster:

achteraf volledig gehomogeniseerd en verdeeld in eindmonsters, of

verkleind tot ten minste 2 kg of 2 liter (17) met een mechanische of automatische monsterverdeler. Alleen wanneer door de aard van het diervoeder geen monsterverdeler kan worden gebruikt, mag het monster worden verkleind door kwarteren. Voor de controle op de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal in het kader van Verordening (EU) nr. 619/2011 omvat het deelmonster minimaal 35 000 zaden/granen om het mogelijk te maken om definitieve monsters voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden van ten minste 10 000 zaden/granen te verkrijgen (zie voetnoot (**) in hoofdstuk 6 en voetnoot (*) in hoofdstuk 7).

9.5.   Verpakking van de monsters

De recipiënten of verpakkingen moeten zodanig worden verzegeld en geëtiketteerd dat het onmogelijk is deze te openen zonder het zegel te beschadigen. Het hele etiket moet deel uitmaken van het zegel.

9.6.   Verzending van de monsters naar het laboratorium

Het monster wordt zonder onnodig uitstel verzonden aan het aangewezen analyselaboratorium, samen met de voor de analist noodzakelijke gegevens.

10.   MONSTERNEMINGSVERSLAG

Voor elk monster wordt een verslag opgesteld aan de hand waarvan de bemonsterde partij en de grootte ervan op ondubbelzinnige wijze kan worden geïdentificeerd.

In het verslag moet tevens melding worden gemaakt van elke afwijking van de bemonsteringsprocedure zoals voorgeschreven in deze verordening.

Het verslag wordt niet alleen ter beschikking gesteld aan het officiële controlelaboratorium, maar ook aan de exploitant van het diervoederbedrijf en/of het door de exploitant van het diervoederbedrijf aangewezen laboratorium.


(1)  Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal op het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond.

(2)  Wanneer de vloeistof niet homogeen kan worden gemaakt, moet het aantal basismonsters worden verhoogd.

(3)  Als het openen van een eenheid de analyse zouden kunnen beïnvloeden (bv. bederfelijke natte diervoeders) bestaat een basismonster uit de niet-geopende eenheid.

(4)  Voor eenheden met een inhoud van niet meer dan 1 kg of 1 liter, bestaat het basismonster uit de inhoud van één oorspronkelijke eenheid.

(5)  Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal op het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond.

(6)  Erkend wordt dat in sommige gevallen (bv. kuilopslagplaatsen) de vereiste basismonsters niet kunnen worden genomen zonder dat de partij onaanvaardbaar wordt beschadigd. In die gevallen mag een alternatieve bemonstering worden toegepast; vóór de inwerkingtredingsdatum van deze verordening worden er richtsnoeren voor de bemonstering van dergelijke partijen opgesteld.

(7)  Indien de uitkomst een gebroken getal is, moet dit getal op het eerstvolgende hogere gehele getal worden afgerond.

(8)  Indien het bemonsterde diervoeder een hoge waarde vertegenwoordigt, mag een kleinere hoeveelheid van het verzamelmonster worden genomen, mits dit wordt vermeld en gedocumenteerd in het monsternemingsverslag.

(9)  In overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 619/2011 van de Commissie van 24 juni 2011 tot vaststelling van de bemonsterings- en analysemethoden voor de officiële controle van diervoeders wat betreft de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal waarvoor de vergunningsprocedure hangende is of waarvan de vergunning is verstreken (PB L 166 van 25.6.2011, blz. 9), moet het verzamelmonster voor de controle op de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal minstens 35 000 granen/zaden bevatten. Dit houdt in dat de massa van het verzamelmonster voor maïs minstens 10,5 kg en voor sojabonen 7 kg moet bedragen. Voor andere zaden en granen zoals gerst, gierst, haver, rijst, rogge, tarwe en raapzaad komt een verzamelmonster van 4 kg overeen met meer dan 35 000 zaden.

(10)  In het geval van verpakte diervoeders, kan het ook onmogelijk zijn om voor het verzamelmonster de massa van 4 kg te bereiken, afhankelijk van de grootte van de individuele eenheden.

(11)  Als het gaat om ruwvoeder- of voedergewassen met een lage dichtheid (bv. hooi, stro), bedraagt de minimumgrootte van het verzamelmonster 1 kg.

(12)  In overeenstemming met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 619/2011 bevat het eindmonster voor de controle op de aanwezigheid van genetisch gemodificeerd materiaal ten minste 10 000 zaden/granen. Dit houdt in dat de grootte van het eindmonster voor maïs minstens 3 000 g en voor sojabonen 2 000 g moet bedragen. Voor andere zaden en granen zoals gerst, gierst, haver, rijst, rogge, tarwe en raapzaad, komt een verzamelmonster van 500 g overeen met meer dan 10 000 zaden.

(13)  Als de grootte van het verzamelmonster aanzienlijk minder dan 4 kg of liter bedraagt (zie de voetnoten in hoofdstuk 6), mag ook een kleinere hoeveelheid van het eindmonster worden genomen, mits dit wordt vermeld en gedocumenteerd in het monsternemingsverslag.

(14)  Voor bemonstering van peulvruchten, granen en noten voor de bepaling van bestrijdingsmiddelenresiduen bedraagt de minimumgrootte van het eindmonster 1 kg overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30).

(15)  Maak, indien nodig, de brokstukken fijn (door ze eventueel van de massa te scheiden en vervolgens het geheel weer samen te voegen).

(16)  Behalve bij ruwvoeder of voeder met een lage dichtheid.

(17)  Behalve bij ruwvoeder of voeder met een lage dichtheid.”


BIJLAGE II

„BIJLAGE II

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE ANALYSEMETHODEN VOOR DIERVOEDERS

A.   BEREIDING VAN MONSTERS VOOR ANALYSE

1.   Doel

De hieronder beschreven werkwijzen hebben betrekking op het voor de analyse gereedmaken van de naar de controlelaboratoria gezonden monsters nadat de bemonstering overeenkomstig bijlage I heeft plaatsgevonden.

Deze laboratoriummonsters worden zodanig bereid dat de voor de uitvoering van de analysemethoden afgewogen hoeveelheden homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters.

2.   Voorzorgsmaatregelen

De voor de monsterbereiding te volgen werkwijze hangt af van de te gebruiken analysemethoden en de bestanddelen of stoffen die gecontroleerd moeten worden. Het is daarom van groot belang dat ervoor wordt gezorgd dat de voor de monsterbereiding gevolgde werkwijze geschikt is voor de gebruikte analysemethode en voor de bestanddelen of stoffen die gecontroleerd moeten worden.

Alle noodzakelijke bewerkingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat verontreiniging van het monster en verandering in de samenstelling ervan zo veel mogelijk worden vermeden.

Het malen, mengen en zeven moet zonder uitstel gebeuren onder zo gering mogelijke blootstelling van het monster aan lucht en licht. Vermijd het gebruik van maaltoestellen die het monster aanmerkelijk kunnen verwarmen.

Voor diervoeders die bijzonder gevoelig zijn voor warmte wordt malen met de hand aanbevolen. Ook moet ervoor gezorgd worden dat het maaltoestel zelf niet de oorzaak van verontreiniging vormt.

Als de monsterbereiding niet mogelijk is zonder dat het vochtgehalte van het monster daardoor sterk verandert, moet het vochtgehalte vóór en na de bereiding worden bepaald volgens de methode van deel A van bijlage III.

3.   Werkwijze

3.1.   Algemene werkwijze

Het aliquot wordt genomen uit het eindmonster. Kwarteren wordt niet aanbevolen, omdat dit tot grote fouten in de aliquots kan leiden.

3.1.1.   Diervoeders die als zodanig gemalen kunnen worden

Meng het gezeefde eindmonster en doe het in een geschikt schoon en droog vat, dat voorzien is van een luchtdichte stop. Meng nogmaals met het oog op volledige homogenisering, vlak voor het afwegen van de hoeveelheid voor analyse (aliquot).

3.1.2.   Diervoeders die na drogen gemalen kunnen worden

Droog het eindmonster, tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven, zo ver dat het vochtgehalte tot 8-12 % is teruggebracht, overeenkomstig de voordroogmethode zoals beschreven in de in punt 4.3 van deel A van bijlage III opgenomen vochtbepalingsmethode. Ga dan verder te werk als in punt 3.1.1.

3.1.3.   Vloeibare of halfvloeibare diervoeders

Verzamel het eindmonster in een geschikt schoon en droog vat, dat voorzien is van een luchtdichte stop. Meng zorgvuldig met het oog op volledige homogenisering, vlak voor het afwegen van de hoeveelheid voor analyse (aliquot).

3.1.4.   Andere diervoeders

Monsters die niet volgens een van de bovenstaande methoden kunnen worden bereid, moeten worden behandeld volgens een andere werkwijze, die zodanig is dat in ieder geval de voor de analyse afgewogen hoeveelheden (aliquots) homogeen zijn en representatief voor de eindmonsters.

3.2.   Specifieke werkwijze voor onderzoek door visuele inspectie of met de microscoop of in gevallen waarin het hele verzamelmonster wordt gehomogeniseerd

Bij een onderzoek door visuele inspectie (zonder gebruikmaking van een microscoop) wordt het hele laboratoriummonster gebruikt voor het onderzoek.

In geval van microscopisch onderzoek mag het laboratorium het verzamelmonster verkleinen of het deelmonster verder verkleinen. De eindmonsters voor verhaal- en arbitragedoeleinden worden genomen volgens een procedure die gelijkwaardig is aan de gevolgde procedure voor het eindmonster voor controledoeleinden.

Indien het hele verzamelmonster wordt gehomogeniseerd, worden de eindmonsters genomen van het gehomogeniseerde verzamelmonster.

4.   Bewaren van monsters

De monsters worden bewaard bij een temperatuur die hun samenstelling niet beïnvloedt. Monsters die bestemd zijn voor de analyse van vitaminen of stoffen die bijzonder lichtgevoelig zijn, worden zodanig bewaard dat de zij niet worden aangetast door licht.

B.   BEPALINGEN BETREFFENDE IN DE ANALYSEMETHODEN GEBRUIKTE REAGENTIA EN APPARATUUR

1.

Tenzij in de analysemethoden anders is aangegeven, moeten alle voor de analyse gebruikte reagentia analytisch zuiver zijn (p.a.). Bij het bepalen van sporenelementen moet de zuiverheid van de reagentia gecontroleerd worden door een blancoproef. Afhankelijk van de verkregen uitkomst kan verdergaande zuivering van de reagentia nodig zijn.

2.

Elke in de analysemethoden genoemde handeling waar het gaat om bereiding van oplossingen, verdunning, spoelen of wassen, zonder dat de aard van het gebruikte oplosmiddel is aangegeven, houdt in dat water moet worden gebruikt. Als algemene regel geldt dat water moet zijn gedemineraliseerd of gedestilleerd. In bepaalde gevallen, die in de analysemethoden nader worden aangegeven, moet het een speciale zuiveringsbehandeling hebben ondergaan.

3.

Van de standaardapparatuur die normaal in de controlelaboratoria aanwezig is, worden alleen speciale instrumenten en toestellen of apparatuur waaraan bijzondere eisen zijn gesteld in de analysemethoden vermeld. Deze moeten schoon zijn, vooral wanneer het gaat om de bepaling van kleine hoeveelheden stof.

C.   TOEPASSING VAN ANALYSEMETHODEN EN WEERGAVE VAN DE RESULTATEN

1.   Extractieprocedure

In verscheidene methoden wordt een specifieke extractieprocedure genoemd. In de regel mogen ook andere extractieprocedures worden gebruikt, mits bewezen is dat de gevolgde procedure voor de geanalyseerde matrix hetzelfde extractierendement heeft als de in de methode genoemde procedure.

2.   Clean-upprocedure

In verscheidene methoden wordt een specifieke clean-upprocedure genoemd. In de regel mogen ook andere clean-upprocedures worden gebruikt, mits bewezen is dat de gevolgde procedure voor de geanalyseerde matrix dezelfde analyseresultaten geeft als de in de methode genoemde procedure.

3.   Aantal bepalingen

Als bij de analyse op ongewenste stoffen het resultaat van de eerste bepaling significant (> 50 %) onder de te controleren specificatie ligt, zijn verdere bepalingen niet nodig, mits adequate kwaliteitszorgprocedures zijn gevolgd. In andere gevallen is de duplobepaling (tweede bepaling) noodzakelijk om de mogelijkheid van interne kruiscontaminatie of een onbedoelde verwisseling van monsters uit te sluiten. Het gemiddelde van de twee bepalingen, waarbij de meetonzekerheid in aanmerking wordt genomen, wordt gebruikt voor de controle op de naleving.

Als bij de controle van het opgegeven gehalte van een stof of ingrediënt de uitslag van de eerste bepaling het opgegeven gehalte bevestigt, d.w.z. de uitslag ligt binnen de tolerantiegrenzen voor het opgegeven gehalte, zijn verdere bepalingen niet nodig, mits adequate kwaliteitszorgprocedures zijn gevolgd. In andere gevallen is de duplobepaling (tweede bepaling) noodzakelijk om de mogelijkheid van interne kruiscontaminatie of een onbedoelde verwisseling van monsters uit te sluiten. Het gemiddelde van de twee bepalingen, waarbij de meetonzekerheid in aanmerking wordt genomen, wordt gebruikt voor de controle op de naleving.

In sommige gevallen zijn deze tolerantiegrenzen in wetgeving vastgelegd, bijvoorbeeld in Verordening (EG) nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 79/373/EEG van de Raad, Richtlijn 80/511/EEG van de Commissie, Richtlijnen 82/471/EEG, 83/228/EEG, 93/74/EEG, 93/113/EG en 96/25/EG van de Raad en Beschikking 2004/217/EG van de Commissie (1).

4.   Vermelding van de gebruikte analysemethode

In het analyseverslag wordt de gebruikte analysemethode vermeld.

5.   Weergave van het analyseresultaat

Het analyseresultaat moet worden opgegeven op de in de analysemethode vastgelegde wijze, met een passend aantal significante cijfers en waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met het vochtgehalte van het eindmonster voor de behandeling.

6.   Meetonzekerheid en terugvindingspercentage bij de analyse van ongewenste stoffen

Voor ongewenste stoffen in de zin van Richtlijn 2002/32/EG wordt een product dat bedoeld is voor het voederen van dieren als niet in overeenstemming met het vastgestelde maximumgehalte beschouwd indien het resultaat van de analyse — herleid tot voeder met een vochtgehalte van 12 % — dat maximumgehalte overschrijdt, met inachtneming van de uitgebreide meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding. Aan de hand van de gemeten concentratie, gecorrigeerd voor terugvinding en na aftrek van de uitgebreide meetonzekerheid, wordt nagegaan of aan het maximumgehalte wordt voldaan. Deze werkwijze geldt alleen als de meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding voor de gebruikte analysemethode kunnen worden bepaald (dus bijvoorbeeld niet voor microscopisch onderzoek).

Het analyseresultaat wordt als volgt weergegeven (voor zover de meetonzekerheid en het terugvindingspercentage voor de gebruikte analysemethode kunnen worden bepaald):

a)

gecorrigeerd voor de terugvinding, waarbij het terugvindingspercentage moet worden vermeld. De correctie voor terugvinding is niet nodig bij terugvindingspercentages tussen 90 en 110 %;

b)

als „x ± U”, waarbij x het analyseresultaat is en U de uitgebreide meetonzekerheid, met een dekkingsfactor 2, zodat een betrouwbaarheidsniveau van ongeveer 95 % wordt verkregen.

Als het analyseresultaat echter significant (> 50 %) onder de te controleren specificatie ligt, mag het analyseresultaat zonder correctie voor terugvinding worden opgegeven en mag de vermelding van het terugvindingspercentage en de meetonzekerheid achterwege blijven, mits adequate kwaliteitszorgprocedures zijn gevolgd en de analyse alleen tot doel heeft na te gaan of aan de wettelijke bepalingen is voldaan.”


(1)  PB L 229 van 1.9.2009, blz. 1.


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving