Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.6-2.4

VERORDENING (EU) 2015/9 VAN DE COMMISSIE

van 6 januari 2015

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien de Akte van toetreding van Kroatië, en met name artikel 50,

Gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (Verordening dierlijke bijproducten) (1), en met name artikel 15, lid 1, onder b), c), d) en g), artikel 18, lid 3, onder b) i), artikel 19, lid 4, onder c), artikel 20, lid 11, artikel 21, lid 6, onder d), artikel 23, lid 3, artikel 27, punt c), artikel 31, lid 2, artikel 40, punt f), artikel 41, lid 3, en artikel 42, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1069/2009 zijn volks- en diergezondheidsvoorschriften vastgesteld voor dierlijke bijproducten en afgeleide producten om risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid als gevolg van die producten te voorkomen of tot een minimum te beperken. Die verordening stelt ook een eindpunt vast in de productieketen voor bepaalde afgeleide producten, waarna die producten niet meer aan die verordening hoeven te voldoen.

(2)

Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (2) stelt uitvoeringsvoorschriften vast voor Verordening (EG) nr. 1069/2009, met inbegrip van voorschriften inzake de goedkeuring van alternatieve methoden voor het gebruik of de verwijdering van dierlijke bijproducten of afgeleide producten en de eisen voor het op de markt brengen van organische meststoffen en bepaalde andere dierlijke bijproducten.

(3)

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 kunnen de lidstaten toestemming verlenen voor het verzamelen, vervoeren en verwijderen van categorie 3-materiaal, als bedoeld in artikel 10, onder f), van die verordening, met andere middelen zoals bepaald in hoofdstuk IV van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 142/2011. Overeenkomstig artikel 36, lid 3, van Verordening (EU) nr. 142/2011 is deze mogelijkheid beperkt tot de overgangsperiode tot en met 31 december 2014. Bepaalde lidstaten verlenen toestemming voor het verzamelen, vervoeren en verwijderen met de andere middelen, zoals bepaald in hoofdstuk IV van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 142/2011, van kleine hoeveelheden van voormalige voedingsmiddelen tot 20 kg per week.

(4)

Aangezien er geen negatieve gevolgen voor de diergezondheid zijn gemeld en rekening houdend met het feit dat in bepaalde gevallen de verwijdering overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 onaanvaardbaar duur zou zijn in vergelijking met het ter plaatse verwijderen, lijkt het gerechtvaardigd om de tijdelijke afwijking als permanente optie toe te staan, mits deze verwijdering niet tot onaanvaardbare risico's voor de gezondheid leidt. Artikel 15 van Verordening (EU) nr. 142/2011, dat bijzondere regels vastlegt voor de toepassing van artikel 19, lid 1, onder a), b), c), e) en f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, dient derhalve te worden aangevuld met een verwijzing naar de maatregelen bepaald in hoofdstuk IV van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 142/2011, die ook dienovereenkomstig dient te worden gewijzigd. Na raadpleging van de lidstaten en de organisaties van belanghebbenden dient de mogelijkheid dat de lidstaten kunnen besluiten om het volume te verhogen tot maximaal 50 kg per week te worden opgeheven wanneer de tijdelijke afwijking een permanente optie wordt. Bovendien dient lid 3 van artikel 36 van Verordening (EU) nr. 142/2011 te worden geschrapt.

(5)

Gezien het lage risico van contacten van landbouwhuisdieren met organische meststoffen en bodemverbeteraars die bepaalde exploitanten en gebruikers gebruiken, met name wanneer zij actief zijn buiten de voedsel- en voederketen, dient het de bevoegde instanties te worden toegestaan die exploitanten en gebruikers vrij te stellen van de registratieplicht uit hoofde van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1069/2009. Deze exploitanten en gebruikers moeten worden toegevoegd aan de lijst van exploitanten die zijn vrijgesteld van de verplichting tot kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 142/2011. Artikel 20, lid 4, van Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Bij groeimedia, met inbegrip van potgrond, met een gering gehalte aan dierlijke bijproducten of afgeleide producten en verpakt voor gebruik door de eindgebruiker, bestaat geen risico dat zij worden gebruikt als voeder voor landbouwhuisdieren. De beperking tot een inhoud van minder dan 5 % in volume van afgeleide producten van categorie 2 of 3-materiaal in de groeimedia, met inbegrip van potgrond, verkleint het risico van gebruik als voeder voor landbouwhuisdieren, aangezien het hoge gehalte aarde en andere materialen dergelijke producten oneetbaar maakt voor landbouwhuisdieren. Bij de productie van groeimedia mag verwerkte dierlijke mest worden gebruikt. De verwerkte mest mag echter niet het enige bestanddeel van het groeimedium zijn. Het aandeel mest mag niet meer dan 50 % van het volume van groeimedia zijn. Verwerkte mest mag niet worden gebruikt voor de productie van groeimedia wanneer voor de plaats van herkomst een verbod geldt in verband met een vermoedelijke of bevestigde uitbraak van een ernstige overdraagbare ziekte bij landbouwhuisdieren. Bijgevolg kunnen dergelijke producten worden vrijgesteld van de veterinaire controles voor het in de handel brengen, met uitzondering van invoer. Artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De definities van „tussenproducten” en „handelsmonsters” in de punten 35 en 39 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moeten worden verduidelijkt om ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen te voorkomen. De definitie van „tussenproducten” omvat ook de bestemming van deze tussenproducten. Het is zinvol deze definitie uit te breiden met mogelijke toepassingen in de cosmetische industrie. Afgeleide producten die voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad (3) worden overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 aangegeven als het eindpunt in de productieketen. Bovendien moet worden verduidelijkt dat voeder voor gezelschapsdieren mag worden ingevoerd in de EU als handelsmonster ten behoeve van vervoederingsstudies of het testen van machines of uitrusting. De definities van „tussenproducten” en „handelsmonsters” in de punten 35 en 39 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

Hoewel paardachtigen, overeenkomstig artikel 3, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, als landbouwhuisdieren worden beschouwd, hebben bepaalde individuele paardachtigen een bijzonder nauwe band met hun eigenaar/verzorger. Daarom is het gerechtvaardigd om te voorzien in de mogelijkheid van crematie van gestorven paardachtigen in verbrandingsovens die voor dat doel zijn goedgekeurd door de bevoegde instantie, mits die paardachtigen afkomstig zijn van bedrijven waarvoor geen verbodsmaatregelen gelden in verband met ziekten waarvoor een aangifteplicht bestaat. Richtlijn 2009/156/EG van de Raad (4) bevat onder meer veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen, met inbegrip van voorschriften voor de identificatie van paardachtigen. Alleen gestorven paardachtigen die aan die richtlijn voldoen, mogen individueel worden gecremeerd in verbrandingsinstallaties met een lage capaciteit. Hoofdstuk III van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Artikel 13, onder g), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bepaalt dat dierlijke bijproducten die afkomstig zijn van waterdieren van categorie 2-materiaal mogen worden ingekuild, tot compost verwerkt of in biogas omgezet. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft een wetenschappelijk advies uitgebracht over de evaluatie van een nieuwe methode voor de verwerking van dierlijke bijproducten van categorie 2-materiaal afkomstig van vis (5). Volgens dit advies van de EFSA kunnen risico's van categorie 2-materiaal afkomstig van vis voldoende worden beperkt door de verwerkingsmethode, en afgeleide producten kunnen derhalve worden gebruikt voor de productie van organische meststoffen, tot compost worden verwerkt of omgezet worden in biogas, of gebruikt worden voor de productie van voeder voor pelsdieren of andere dieren die niet voor menselijke consumptie zijn bestemd. Het advies van de EFSA concludeert dat er geen toename van het risico is als de verwerkingsmethode ook wordt toegepast voor de verwerking van bijproducten afkomstig van waterdieren van categorie 3-materiaal. Categorie 3-materiaal afkomstig van waterdieren kan derhalve worden bestemd voor doeleinden als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

(10)

Gezien het resultaat van de risicobeoordeling door de EFSA dient het inkuilen van vismateriaal te worden toegevoegd aan de lijst van alternatieve verwerkingsmethoden in hoofdstuk IV van bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 142/2011. Bijlage IV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(11)

Gistingsresiduen en compost van dierlijke oorsprong kunnen in de praktijk gemengd zijn met materiaal van niet-dierlijke oorsprong. Exploitanten moeten weten welke regels gelden voor de verwijdering van dergelijke gistingsresiduen en compost. Daarnaast is het noodzakelijk te preciseren in welke gevallen compost en gistingsresiduen afkomstig van keukenafval en etensresten kunnen worden verwijderd op een toegelaten stortplaats. Hoofdstuk III van bijlage V bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Kroatië heeft een lijst ingediend van wilde aasetende vogels die onder de afwijking voor bijzondere vervoederingsdoeleinden overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 zouden moeten vallen. De lijst van soorten van aasetende vogels in bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De EFSA heeft het risico van compostering in cellen en daaropvolgende verbranding van op het bedrijf gestorven varkens beoordeeld (6) en geconcludeerd dat de compostering in cellen als bedoeld in de alternatieve parameters die zijn vastgesteld in hoofdstuk III, afdeling 2, van bijlage V bij Verordening (EU) nr. 142/2011 geen afdoende behandeling is voor de veilige verwijdering van categorie 2-materiaal en kan derhalve niet worden aangemerkt als een alternatieve verwerkingsmethode in hoofdstuk IV van bijlage IV bij die verordening. Naar aanleiding van de beoordeling door de EFSA moet de „aerobe rijping en opslag van op het bedrijf gestorven varkens met aansluitende verbranding of meeverbranding” beschouwd worden als een specifieke verspreidingsbeperkende methode voor de opslag van dierlijke bijproducten in afwachting van de verwijdering daarvan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009. Om deze methode te onderscheiden van de erkende methoden van compostering en de voor composteringsinstallaties verplichte goedkeuringsprocedure zoals vastgesteld in bijlage V bij Verordening (EU) nr. 142/2011 te vermijden, is het zinvol deze methode op te nemen in een nieuw hoofdstuk in bijlage IX bij die verordening, samen met de methode „hydrolyse gevolgd door verwijdering”, momenteel vermeld in punt H van afdeling II van hoofdstuk IV van bijlage IV, die gebaseerd is op dezelfde beginselen. Voorts dient de verwijzing naar bijlage IV in afdeling 11 van hoofdstuk II van bijlage XVI dienovereenkomstig te worden aangepast. De bijlagen IV, IX en XVI bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Gesmolten vet afkomstig van categorie 3-materiaal is onderworpen aan specifieke voorschriften volgens hoofdstuk II, afdeling 3, van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011. Er zijn echter geen redenen van diergezondheid om de verwerking van categorie 3-materiaal van waterdieren en van dierlijke bijproducten van waterdieren als bedoeld in artikel 10, onder i) en j), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 samen met categorie 3-materiaal afkomstig van landdieren in gemengd gesmolten vet te verbieden. Daarom moet het mogelijk zijn gebruik te maken van categorie 3-materiaal afkomstig van waterdieren en van dierlijke bijproducten van waterdieren als bedoeld in artikel 10, onder i) en j), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 voor de productie van gesmolten vet. Bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 3, punt A.1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

Voorschriften voor de warmtebehandeling van centrifuge- of separatorslib dat later kan worden gebruikt als of in organische meststoffen en in de handel kan worden gebracht, zijn vastgesteld in deel III van afdeling 4 van hoofdstuk II van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011. Het is wenselijk te voorzien in een afwijking die de bevoegde autoriteit in staat stelt alternatieve parameters toe te staan voor de warmtebehandeling van centrifuge- of separatorslib bestemd voor gebruik in de lidstaten, op voorwaarde dat de exploitanten kunnen aantonen dat de volgens de alternatieve parameters verrichte warmtebehandeling ten minste dezelfde garanties biedt wat de risicovermindering betreft als behandeling volgens de reeds vastgestelde parameters die van toepassing zijn voor het in de handel brengen. Bijlage X, hoofdstuk II, afdeling 4, deel III, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Tussenproducten kunnen onder andere worden gebruikt voor de productie van laboratoriumreagentia of voor in-vitrodiagnostiek voor dierlijke doeleinden. Na controles bij grensinspectieposten overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 97/78/EG van de Raad (7) moet het product rechtstreeks worden vervoerd naar de geregistreerde inrichting of het geregistreerde bedrijf van bestemming. Met het oog op de verduidelijking van de voorschriften voor de invoer van tussenproducten moet bijlage XII bij Verordening (EU) nr. 142/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(17)

Voor de productie van voeder voor landbouwhuisdieren bestemde bloedproducten — met inbegrip van gesproeidroogd bloed en bloedplasma van varkens — moeten worden geproduceerd overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk II van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie. Overeenkomstig punt B van die afdeling moeten bloedproducten behandeld zijn met een van de verwerkingsmethoden 1 tot en met 5 of met verwerkingsmethode 7, als beschreven in hoofdstuk III van bijlage IV bij die verordening, of met een andere methode die waarborgt dat de bloedproducten voldoen aan de microbiologische normen voor afgeleide producten van hoofdstuk I van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie. Verordening (EU) nr. 142/2011 bepaalt tevens, met name in kolom 6, rij 2, van tabel 1 in hoofdstuk I, afdeling 1, van bijlage XIV, dat niet voor menselijke consumptie bestemde bloedproducten die als voedermiddel kunnen worden gebruikt, vergezeld moeten gaan van een gezondheidscertificaat volgens het model in hoofdstuk 4 (B) van bijlage XV wanneer zij bestemd zijn voor verzending naar of doorvoer door de EU.

(18)

Porcine epidemische diarree, met inbegrip van besmetting van varkens met het ped-virus (pedv) en het porcine deltacoronavirus (sdcv), is gemeld in Azië, Noord-Amerika, het Caribisch gebied, Midden- en Zuid-Amerika. Het sdcv-virus is nooit in de Unie waargenomen. Verkeerde warmtebehandeling of besmetting na warmtebehandeling van gesproeidroogd bloed en bloedplasma van varkens, een traditioneel ingrediënt van diervoeders voor biggen, lijkt een rol te spelen bij de verspreiding van het virus.

(19)

De Commissie, handelend op eigen initiatief, heeft Uitvoeringsverordening (EU) nr. 483/2014 van de Commissie (8) vastgesteld bij wijze van voorlopige maatregel met betrekking tot de veiligheid van gesproeidroogd bloed en bloedplasma van varkens bestemd voor de productie van diervoeders voor varkens. Aangezien het risico voor de diergezondheid zal blijven bestaan, is het noodzakelijk om de voorschriften voor de invoer van gesproeidroogd bloed en plasma van varkens bestemd voor de productie van voeder voor varkens te herzien en de voorlopige maatregelen als permanente voorschriften toe te passen.

(20)

Uit wetenschappelijke observaties blijkt dat porcine coronavirussen in varkensuitwerpselen worden geïnactiveerd bij een temperatuur van 71 °C gedurende 10 minuten of bij een kamertemperatuur van 20 °C gedurende zeven dagen. Het virus overleefde niet in experimenteel besmet droog voeder dat gedurende ten minste twee weken was opgeslagen bij een kamertemperatuur van 24 °C. In de Unie en in derde landen bedraagt de algemeen toegepaste kerntemperatuur voor het sproeidrogen van bloed en bloedplasma 80 °C.

(21)

Op basis van de beschikbare informatie lijkt het opportuun voor te schrijven dat gesproeidroogd varkensbloed en varkensbloedplasma die uit derde landen worden binnengebracht en bestemd zijn voor vervoedering aan varkens bij een hoge temperatuur worden behandeld en vervolgens enige tijd bij kamertemperatuur worden opgeslagen om het risico van besmetting na de behandeling te verkleinen.

(22)

Invoer van beenderen en producten uit beenderen (met uitzondering van beendermeel), horens en producten uit hoorn (met uitzondering van hoornmeel) en hoeven en producten uit hoeven (met uitzondering van meel van hoeven), niet bestemd voor gebruik als voedermateriaal, organische meststof of bodemverbeteraar, moet ook worden toegestaan wanneer die materialen worden vervoerd per vliegtuig, mits zij voldoen aan de voorschriften van artikel 41 van Verordening (EG) nr. 1069/2009. Bijlage XIV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(23)

Als gevolg van de wijziging van de definitie van „tussenproducten” en de aanvullende eisen voor de invoer van bloedproducten zullen het model voor de verklaring die moet worden gebruikt voor de invoer uit derde landen van tussenproducten en het model van het gezondheidscertificaat voor de invoer van bloedproducten bestemd voor gebruik als voedermateriaal dienovereenkomstig gewijzigd moeten worden. Hoofdstuk 4 (B) en hoofdstuk 20 van bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 zullen daarom dienovereenkomstig gewijzigd moeten worden.

(24)

Om verstoring van het handelsverkeer te voorkomen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld gedurende welke de lidstaten de invoer van de tussenproducten waarop de bepalingen van Verordening (EU) nr. 142/2011, zoals gewijzigd bij deze verordening, van toepassing zijn, aanvaarden overeenkomstig de voorschriften die vóór de inwerkingtreding van deze verordening golden.

(25)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 142/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 15 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„In afwijking van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mogen de lidstaten toestemming verlenen voor het verzamelen, het vervoer en de verwijdering van kleine hoeveelheden categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder f), van die verordening, op een wijze als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder d), van die verordening, mits er wordt voldaan aan de eisen voor andere vormen van verwijdering als omschreven in hoofdstuk IV van bijlage VI bij deze verordening.”

.

2)

In artikel 19 wordt punt c) vervangen door:

„c)

hoofdstuk III, wanneer zij afgeleide producten opslaan voor bepaalde voorgenomen doeleinden als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder j) van die verordening;

d)

hoofdstuk V, indien zij op het bedrijf dierlijke bijproducten bestemd voor latere verwijdering als bedoeld in artikel 4 van die verordening opslaan.”

.

3)

Artikel 20, lid 4, wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt d) wordt vervangen door:

„d)

exploitanten die kleine hoeveelheden van categorie 2- en categorie 3-materialen, als bedoeld in de artikelen 9 en 10 van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of van daarvan afgeleide producten gebruiken voor de directe levering van de producten in de regio aan de eindgebruiker, op de plaatselijke markt of aan plaatselijke kleinhandelszaken, indien de bevoegde autoriteit niet van oordeel is dat een dergelijke activiteit een risico vormt voor de verspreiding van een ernstige overdraagbare ziekte onder mensen of dieren; dit punt is niet van toepassing wanneer die materialen worden gebruikt als voeder voor andere landbouwhuisdieren dan pelsdieren;”

;

b)

de volgende punten e) en f) worden toegevoegd:

„e)

gebruikers van organische meststoffen of bodemverbeteraars op bedrijven waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden;

f)

exploitanten die biologische meststoffen of bodemverbeteraars verhandelen, uitsluitend in kleinhandelsverpakkingen met een gewicht van maximaal 50 kg voor toepassingen buiten de voeder- en voedselketen.”

.

4)

Artikel 22, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Er gelden geen diergezondheidsvoorwaarden voor het in de handel brengen van:

a)

guano van wilde zeevogels, verzameld in de Unie of ingevoerd uit derde landen;

b)

niet geïmporteerde verkoopklare groeimedia met een inhoud van minder dan:

i)

5 % in volume van afgeleide producten van categorie 3-materiaal of categorie 2-materiaal, anders dan verwerkte mest;

ii)

50 % in volume van verwerkte mest.”

.

5)

Artikel 23, lid 3, wordt vervangen door:

„3.   De exploitant of eigenaar van de inrichting of het bedrijf van bestemming van tussenproducten of zijn vertegenwoordiger gebruikt en/of verzendt de tussenproducten uitsluitend voor gebruik bij de vervaardiging van bepaalde producten overeenkomstig de definitie van tussenproducten in punt 35 van bijlage I.”

.

6)

Artikel 36, lid 3, wordt geschrapt.

7)

De bijlagen I, III, IV, V, VI, IX, X, XI, XII, XIV en XVI worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Voor een overgangsperiode die afloopt op 27 september 2015 worden zendingen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die vergezeld gaan van een verklaring die is opgesteld en ondertekend overeenkomstig het model in hoofdstuk 20 van bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 zoals die gold vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, voor invoer in de Unie aanvaard, op voorwaarde dat die verklaringen vóór 27 juli 2015 werden opgesteld en ondertekend.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 23 februari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 januari 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(3)  Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake cosmetische producten (PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169).

(4)  Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (geconsolideerde versie) (PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1).

(5)  EFSA Journal (2011); 9 (9): 2389 [11 blz.].

(6)  EFSA Journal (2012); 10 (2): 2559 [11 blz.].

(7)  Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 483/2014 van de Commissie van 8 mei 2014 betreffende beschermende maatregelen met betrekking tot door een deltacoronavirus veroorzaakte varkensdiarree wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor het binnenbrengen in de Unie van gesproeidroogd varkensbloed en varkensbloedplasma bestemd voor de productie van voeder voor als landbouwhuisdier gehouden varkens (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 52).


BIJLAGE

De bijlagen I, III, IV, V, VI, IX, X, XI, XII, XIV, XV en XVI van Verordening (EU) nr. 142/2011 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 35 wordt vervangen door:

„35.   tussenproduct: afgeleid product:

a)

dat bestemd is voor gebruik in de vervaardiging van geneesmiddelen, geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, medische hulpmiddelen voor medische en veterinaire doeleinden, actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek voor medische en veterinaire doeleinden, laboratoriumreagentia of cosmetische producten als volgt:

i)

als materiaal in een productieproces of in de definitieve productie van een eindproduct;

ii)

bij validering of verificatie in een productieproces, of

iii)

bij kwaliteitscontrole van een eindproduct;

b)

waarvan de ontwerp-, verwerkings- en productiefasen voldoende zijn voltooid om als afgeleid product te worden beschouwd en om het materiaal rechtstreeks of als onderdeel van een product voor de onder a) bedoelde doeleinden te kwalificeren;

c)

dat evenwel nog een verdere vervaardiging of verwerking behoeft, zoals menging, coating, assemblage of verpakking, om in de handel te kunnen worden gebracht of in gebruik te kunnen worden genomen, naargelang het geval, als een geneesmiddel voor menselijk gebruik, een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik, een medisch hulpmiddel voor medische of veterinaire doeleinden, een actief implanteerbaar medisch hulpmiddel, medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek voor medische of veterinaire doeleinden, laboratoriumreagentia of cosmetische producten;”

;

b)

punt 39 wordt vervangen door:

„39.   handelsmonsters: dierlijke bijproducten of afgeleide producten die bestemd zijn voor bijzondere onderzoeken of analyses die door de bevoegde autoriteit zijn toegestaan overeenkomstig artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met het oog op de uitvoering van een productieprocedé, met inbegrip van de verwerking van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, de ontwikkeling van diervoeder, voeder voor gezelschapsdieren of afgeleide producten, of het testen van machines of uitrusting;”

;

c)

punt 58 wordt vervangen door:

„58.   verwerkingsbedrijf: bedrijfsruimten en voorzieningen voor de verwerking van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 24, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, waar dierlijke bijproducten worden verwerkt overeenkomstig bijlage IV en/of bijlage X;”

;

d)

het volgende punt 59 wordt toegevoegd:

„59.   groeimedia: materialen, met inbegrip van potgrond, anders dan bodem in situ, waarin planten worden geteeld en die onafhankelijk van de bodem ter plaatse gebruikt wordt.”

.

2)

Bijlage III, hoofdstuk III, punt a), wordt vervangen door:

„a)

uitsluitend gebruikt voor de verwijdering van:

i)

dode gezelschapsdieren als bedoeld in artikel 8, onder a) iii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

ii)

categorie 1-materiaal als bedoeld in artikel 8, onder b), e) en f), categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9, en categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10 van die verordening, en

iii)

dode individueel geïdentificeerde paardachtigen van bedrijven waarvoor geen veterinairrechtelijke verbodsbepalingen gelden overeenkomstig artikel 4, lid 5, of artikel 5 van Richtlijn 2009/156/EG, indien toegestaan door de lidstaat;”

.

3)

Bijlage IV, hoofdstuk IV, wordt als volgt gewijzigd:

a)

Afdeling 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt H wordt geschrapt;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„K.   Inkuiling van vismateriaal

1.   Grondstoffen

Voor dit proces mogen alleen de volgende bijproducten verkregen uit waterdieren worden gebruikt:

a)

categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9, onder f) i) en ii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

categorie 3-materiaal.

2.   Verwerkingsmethode

 

2.1.

De te behandelen materialen worden verzameld op aquacultuurbedrijven en voedselverwerkende bedrijven op een dagelijkse basis en zonder onnodige vertragingen, gemalen of gehakt, en daarna ingekuild bij een pH van 4 of lager, met mierenzuur of andere organische zuren die in het kader van de diervoederwetgeving zijn toegestaan. De resulterende vissilage moet een suspensie van delen van waterdieren zijn, vloeibaar gemaakt door de werking van endogene enzymen in aanwezigheid van het toegevoegde zuur. De eiwitten van waterdieren moeten door de enzymen en het zuur worden gereduceerd tot kleinere oplosbare eenheden, teneinde bederf door micro-organismen te voorkomen. Het kuilvoeder wordt naar het verwerkingsbedrijf gebracht.

 

2.2.

In het verwerkingsbedrijf moet het kuilvoeder van waterdieren in gesloten opslagtanks worden gepompt. De incubatietijd moet ten minste 24 uur bedragen, bij een pH van 4 of lager, vóór de warmtebehandeling kan worden uitgevoerd. Vóór de warmtebehandeling van moet het kuilvoeder op basis van waterdieren een pH van 4 of lager hebben en een deeltjesgrootte van minder dan 10 mm na filtratie of maceratie in de fabriek. Bij de verwerking moet het onderworpen worden aan voorverwarming tot een temperatuur van meer dan 85 °C, gevolgd door een incubatieperiode in een geïsoleerde container teneinde in het gehele vismateriaal een temperatuur van 85 °C gedurende 25 minuten te verkrijgen. De verwerking moet plaatsvinden in een gesloten productielijn met tanks en leidingen.

 

2.3.

Voordat toestemming wordt verleend, moet de permanente schriftelijke procedure van de exploitant, zoals bedoeld in artikel 29, leden 1 tot en met 3, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, beoordeeld worden door de bevoegde autoriteit.”

;

b)

afdeling 3, punt 2 d), wordt vervangen door:

„d)

het met kalk behandelde mengsel van varkens- en pluimveemest mag als verwerkte mest op het land worden uitgereden;”

;

c)

aan afdeling 3 wordt het volgende punt 2 e) toegevoegd:

„e)

Het door inkuiling van vismateriaal verkregen eindproduct mag:

i)

voor categorie 2-materiaal, worden gebruikt voor de doeleinden als bedoeld in artikel 13, onder a) tot en met d) en g) tot en met i), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 zonder verdere verwerking of als voeder voor dieren zoals bedoeld in artikel 18 of artikel 36, onder a) ii), van die verordening, of

ii)

voor categorie 3-materiaal, worden gebruikt voor doeleinden als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.”

.

4)

Bijlage V, hoofdstuk III, afdeling 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in punt 2 b) wordt punt x) vervangen door:

„x)

dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 10, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, die zijn verwerkt in de zin van artikel 2, lid 1, onder m), van Verordening (EG) nr. 852/2004.”

;

b)

aan punt 2 b) wordt het volgende punt xi) toegevoegd:

„xi)

mengsel van dierlijke bijproducten als bedoeld in punt 2 b) met niet-dierlijke bijproducten.”

;

c)

Punt 3 b) wordt vervangen door:

„b)

van mening is dat de gistingsresiduen of de compost niet-verwerkt materiaal zijn en exploitanten verplicht deze te hanteren overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1069/2009 en deze verordening of, in het geval van compost of gistingsresiduen van keukenafval en etensresten, te recyclen of te verwijderen overeenkomstig de milieuwetgeving.”

.

5)

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk II, afdeling 2, punt 1,onder a) i), wordt vervangen door:

„i)

een van de hieronder vermelde aasetende vogelsoorten in de volgende lidstaten:

Land-code

Lidstaat

Diersoorten

Plaatselijke naam

Wetenschappelijke naam

BG

Bulgarije

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Keizersarend

Zeearend

Zwarte wouw

Rode wouw

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

Aquila heliaca

Haliaeetus albicilla

Milvus migrans

Milvus milvus

EL

Griekenland

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Keizersarend

Zeearend

Zwarte wouw

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

Aquila heliaca

Haliaeetus albicilla

Milvus migrans

ES

Spanje

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Spaanse keizerarend

Zwarte wouw

Rode wouw

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

Aquila adalberti

Milvus migrans

Milvus milvus

FR

Frankrijk

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Zeearend

Zwarte wouw

Rode wouw

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

Haliaeetus albicilla

Milvus migrans

Milvus milvus

HR

Kroatië

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

IT

Italië

Lammergier

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Zwarte wouw

Rode wouw

Gypaetus barbatus

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

Milvus migrans

Milvus milvus

CY

Cyprus

Monniksgier

Vale gier

Aegypius monachus

Gyps fulvus

PT

Portugal

Monniksgier

Aasgier

Vale gier

Steenarend

Aegypius monachus

Neophron percnopterus

Gyps fulvus

Aquila chrysaetos

SK

Slowakije

Steenarend

Keizersarend

Zeearend

Zwarte wouw

Rode wouw

Aquila chrysaetos

Aquila heliaca

Haliaeetus albicilla

Milvus migrans

Milvus milvus”

b)

in hoofdstuk IV wordt de tweede alinea geschrapt.

6)

Aan bijlage IX wordt het volgende hoofdstuk V toegevoegd:

„HOOFDSTUK V

METHODEN VAN COMPOSTERING IN CELLEN

Afdeling 1

Algemene bepalingen

 

1.

Materiaal dat het resultaat is van compostering in cellen mag uitsluitend worden gebruikt of verwijderd in de lidstaat waar die methode door de bevoegde autoriteit is toegestaan.

 

2.

De bevoegde autoriteit van een lidstaat stelt op verzoek de resultaten van officiële controles ter beschikking van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat wanneer een methode van compostering in cellen voor het eerst in die lidstaat wordt gebruikt, teneinde de algemene toepassing van de nieuwe methode te vergemakkelijken.

Afdeling 2

Methode

A.   Aerobe rijping en opslag van op het bedrijf gestorven varkens en bepaalde ander materiaal van varkens met aansluitende verbranding of meeverbranding.

1.   Betrokken lidstaten

Het proces van aerobe rijping en opslag van op het bedrijf gestorven varkens en bepaald ander materiaal van varkens met aansluitende verbranding of meeverbranding mag worden gebruikt in Frankrijk, Ierland, Letland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.

De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat zorgt ervoor dat het materiaal na aerobe rijping en opslag wordt verzameld en verwijderd op het grondgebied van die lidstaat.

2.   Grondstoffen

Voor dit proces mogen alleen de volgende grondstoffen van varkens mogen worden gebruikt:

a)

categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9, onder f) i) tot en met iii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder h), van Verordening (EG) nr. 1069/2009.

Deze methode mag uitsluitend worden gebruikt voor de verwijdering van varkens uit hetzelfde bedrijf, mits dit bedrijf niet onderworpen is aan beperkende maatregelen in verband met een vermoedelijke of bevestigde uitbraak van een ernstige overdraagbare ziekte bij varkens. Deze methode mag niet worden gebruikt voor dieren die zijn gestorven aan die ziekten of die ter bestrijding van ziekten zijn gedood, of voor delen van die dieren.

3.   Methode

3.1.   Algemene beginselen

De methode is een proces dat door de bevoegde autoriteit is toegestaan.

De locatie is geconstrueerd en ingericht overeenkomstig de milieubeschermingswetgeving van de Unie, om geuroverlast en risico's voor de bodem en het grondwater te voorkomen.

De exploitant:

a)

neemt preventieve maatregelen tegen toegang van dieren en voert een gedocumenteerd programma in voor de bestrijding van ongedierte;

b)

voert procedures in om de verspreiding van ziekten tegen te gaan;

c)

voert procedures in ter voorkoming van de verspreiding van gebruikt zaagsel buiten het gesloten systeem.

De verwerking moet worden uitgevoerd in een gesloten systeem dat bestaat uit meerdere cellen met een waterdichte vloer en vaste wanden. Al het afvalwater dient te worden opgevangen; de cellen moeten aangesloten zijn op een afvoerpijp met een 6 mm-rooster voor het opvangen van vaste stoffen.

Grootte en aantal van de cellen moeten worden aangepast aan het sterfteniveau als bepaald in de permanente schriftelijke procedure bedoeld in artikel 29, lid 1 tot en met 3, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, met voldoende capaciteit voor de sterfte op landbouwbedrijven gedurende een periode van ten minste acht maanden.

3.2.   Fasen

3.2.1.   Fase van vullen en opslag

De dode varkens of ander varkensmateriaal worden afzonderlijk met zaagsel bedekt en opgestapeld tot de cel vol is. Eerst wordt de bodem bedekt met een laag zaagsel van ten minste 30 cm dik. De karkassen en ander varkensmateriaal worden dan op deze eerste laag zaagsel gelegd, en elke laag van karkassen en andere varkensmateriaal wordt weer bedekt met een laag zaagsel van ten minste 30 cm dik.

Het personeel mag niet over het aldus opgeslagen materiaal heen lopen.

3.2.2.   Fase van de rijping

Wanneer de cel vol is en een stijging van de temperatuur de afbraak van alle zachte weefsels mogelijk maakt, begint de rijpingsperiode, die ten minste drie maanden duurt.

Aan het einde van de vul- en opslagfase en tijdens de gehele rijpingsfase controleert de exploitant de temperatuur in elke cel met een temperatuursensor geplaatst 40 à 60 cm onder de top van de bovenste laag.

De elektronische aflezing en bewaking van de temperatuur moet door de exploitant worden geregistreerd.

Aan het einde van de vul- en opslagfase vormt de temperatuur een indicator of de stapel correct is opgebouwd. De gemeten temperatuur moet automatisch worden geregistreerd. Het doel is 55 °C te bereiken gedurende 3 opeenvolgende dagen, waaruit blijkt dat het rijpingsproces actief is, dat opbouw van de stapel doelmatig is en dat de rijpingsfase begonnen is.

De exploitant moet de temperatuur eenmaal per dag controleren en de volgende maatregelen moeten worden genomen, afhankelijk van de resultaten van deze metingen:

a)

wanneer een temperatuur van ten minste 55 °C is gehandhaafd gedurende 3 opeenvolgende dagen kan de stapel worden verwijderd na een ononderbroken rijpingsfase van drie maanden, of op de locatie opgeslagen blijven in afwachting van latere verwijdering;

b)

indien de temperatuur van 55 °C niet gedurende 3 opeenvolgende dagen wordt bereikt, dient de exploitant de maatregelen vastgelegd in de permanente schriftelijke procedure als bedoeld in artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 te nemen; Indien nodig kan de bevoegde autoriteit de verwerkingsmethode stopzetten; het materiaal moet dan worden verwijderd overeenkomstig artikel 13 van bovengenoemde verordening.

De bevoegde autoriteit kan een tijdslimiet vaststellen voor de opslagfase.

3.2.3.   Vervoer en verbranding of meeverbranding

Het vervoer van het materiaal na afloop van de rijpingsfase naar de erkende verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie is onderworpen aan controles als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1069/2009 of Richtlijn 2008/98/EG.

B.   Hydrolyse gevolgd door verwijdering

1.   Betrokken lidstaten

Hydrolyse gevolgd door verwijdering mag worden toegepast in Ierland, Spanje, Letland, Portugal en het Verenigd Koninkrijk.

De bevoegde autoriteit die dit toestaat, ziet erop toe dat het materiaal na hydrolyse in dezelfde lidstaat wordt verzameld en verwijderd.

2.   Grondstoffen

Voor dit proces mogen alleen de volgende grondstoffen afkomstig van varkens worden gebruikt:

a)

categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 9, onder f) i) tot en met iii), van Verordening (EG) nr. 1069/2009;

b)

categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder h), van die verordening.

Deze methode is uitsluitend van toepassing op de verwijdering van varkens uit hetzelfde bedrijf, mits dit bedrijf niet onderworpen is aan verbodsbepalingen vanwege een vermoedelijke of bevestigde uitbraak van een ernstige overdraagbare ziekte onder varkens, en de dieren niet ter bestrijding van ziekten zijn gedood.

3.   Methode

Hydrolyse gevolgd door verwijdering is een tijdelijke opslag ter plaatse. Hierbij worden de volgende normen in acht genomen:

a)

na verzameling op een bedrijf waarvoor de bevoegde autoriteit het gebruik van de verwerkingsmethode heeft toegestaan op grond van een beoordeling van de veedichtheid op het bedrijf, de waarschijnlijke sterfte en de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de diergezondheid, worden de dierlijke bijproducten overgebracht naar een recipiënt die is geconstrueerd zoals bepaald onder b) („de recipiënt”) en die op een speciale locatie is geplaatst zoals bepaald onder c) en d) („de speciale locatie”);

b)

de recipiënt:

i)

kan worden afgesloten;

ii)

is waterdicht, lekvrij en hermetisch gesloten;

iii)

is voorzien van een corrosiewerende bekleding;

iv)

is voorzien van een inrichting om emissies te controleren zoals bepaald onder e);

c)

de recipiënt wordt op een speciale locatie geplaatst die fysiek gescheiden is van het bedrijf.

Die locatie heeft speciale toegangswegen voor de verplaatsing van materiaal en voor de verzamelvoertuigen;

d)

de recipiënt en de locatie zijn geconstrueerd en ingericht overeenkomstig de milieubeschermingswetgeving van de Unie, om geuroverlast en risico's voor de bodem en het grondwater te voorkomen;

e)

de recipiënt is verbonden met een pijp voor de emissie van gassen, die voorzien is van geschikte filters om de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten te voorkomen;

f)

de recipiënt is tijdens het hydrolyseproces gedurende ten minste drie maanden gesloten, op zodanige wijze dat ongeoorloofde opening wordt voorkomen;

g)

de exploitant voert procedures in om de overdracht van op mens of dier overdraagbare ziekten als gevolg van verplaatsingen van personeel te voorkomen;

h)

de exploitant:

i)

neemt preventieve maatregelen tegen vogels, knaagdieren, insecten en ander ongedierte;

ii)

voert een gedocumenteerd plagenbestrijdingsprogramma in;

i)

de exploitant houdt een administratie bij van:

i)

al het materiaal dat in de recipiënt gebracht wordt;

ii)

al het gehydrolyseerde materiaal dat uit de recipiënt gehaald wordt;

j)

de exploitant leegt de recipiënt op gezette tijden om:

i)

na te gaan of er geen corrosie is opgetreden;

ii)

na te gaan of er vloeibaar materiaal naar de bodem is gelekt en dergelijke lekkage te voorkomen;

k)

na hydrolyse wordt het materiaal verzameld, gebruikt en verwijderd overeenkomstig artikel 13, onder a), b), c) of e) i), van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of artikel 14 van die verordening voor categorie 3-materiaal;

l)

de verwerking moet worden uitgevoerd in een batchprocedé;

m)

elke hantering en elk gebruik van het gehydrolyseerde materiaal, met inbegrip van uitrijden op het land, is verboden.”

.

7)

Bijlage X, hoofdstuk II, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in afdeling 3 wordt punt A.1 vervangen door:

„1.   Gesmolten vet

Alleen ander categorie 3-materiaal dan categorie 3-materiaal als bedoeld in artikel 10, onder n), o) en p), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 mag worden gebruikt voor de vervaardiging van gesmolten vet.”

;

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd aan afdeling 4, deel III:

„In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde autoriteit toestemming geven voor alternatieve parameters voor de warmtebehandeling van centrifuge- of separatorslib bestemd voor gebruik binnen de lidstaten die toestemming hebben verleend voor deze alternatieve parameters, mits de exploitanten kunnen aantonen dat de warmtebehandeling volgens de alternatieve parameters ten minste dezelfde risicovermindering waarborgt als de behandeling verricht volgens de parameters als aangegeven in de eerste alinea.”

.

8)

In bijlage XI, hoofdstuk II, wordt de volgende afdeling 3 toegevoegd:

„Afdeling 3

Vereisten voor de goedkeuring van inrichtingen of bedrijven

Om te worden erkend overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 1069/2009 zorgen de exploitanten ervoor dat de inrichtingen of bedrijven die activiteiten als bedoeld in afdeling 1, punt 1, uitvoeren, voldoen aan de vereisten van artikel 8 van deze verordening en:

a)

beschikken over adequate voorzieningen voor de opslag van binnenkomende ingrediënten ter voorkoming van kruisbesmetting en verontreiniging tijdens de opslag;

b)

ongebruikte dierlijke bijproducten of afgeleide producten verwijderen overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van Verordening (EG) nr. 1069/2009.”

.

9)

In bijlage XII wordt punt 3 a) vervangen door:

„3.

De in de Unie ingevoerde tussenproducten worden in de grensinspectiepost overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 97/78/EG gecontroleerd en vanuit de grensinspectiepost rechtstreeks vervoerd naar:

a)

een geregistreerde inrichting of geregistreerd bedrijf voor de productie van laboratoriumreagentia, medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek voor veterinaire doeleinden, of van de in artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1069/2009 bedoelde afgeleide producten, waar de tussenproducten verder moeten worden gemengd, gebruikt voor coating, geassembleerd of verpakt voordat zij in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen overeenkomstig de op het afgeleide product van toepassing zijnde wetgeving van de Unie;”

.

10)

Bijlage XIV wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk I wordt als volgt gewijzigd:

i)

in afdeling 1, tabel 1, rij 2, wordt de tekst in de vierde kolom vervangen door:

„De bloedproducten moeten geproduceerd zijn overeenkomstig afdeling 2 van hoofdstuk II van bijlage X en afdeling 5 van hoofdstuk I van bijlage XIV.”

;

ii)

een nieuwe afdeling 5 wordt toegevoegd:

„Afdeling 5

Invoer van bloedproducten voor het voederen van landbouwhuisdieren

De volgende voorschriften zijn van toepassing op de invoer van bloedproducten, met inbegrip van gesproeidroogd bloed en plasma afkomstig van varkens en bestemd voor het voederen van varkens.

Deze afgeleide producten moeten:

a)

een warmtebehandeling ondergaan tot een kerntemperatuur van ten minste 80 °C, waarbij het droge bloed en bloedplasma maximaal 8 % vocht bevatten met een wateractiviteit van minder dan 0,60;

b)

ten minste zes weken bij kamertemperatuur opgeslagen worden in een droge opslagruimte.”

;

b)

in hoofdstuk II wordt afdeling 7, punt 1, onder b), vervangen door:

„b)

de producten vanuit het derde land van herkomst rechtstreeks worden vervoerd naar een grensinspectiepost van binnenkomst in de Unie en niet worden overgeladen in een haven of plaats buiten de Unie;”

.

11)

Bijlage XV wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk 4 (B) wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 4 (B)

Gezondheidscertificaat

Voor niet voor menselijke consumptie bestemde bloedproducten die als voedermiddel kunnen worden gebruikt, bestemd voor verzending naar of doorvoer door (2) de Europese Unie

Image

Image

Image

Image

b)

Hoofdstuk 20 wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 20

Modelverklaring

Verklaring voor de invoer uit derde landen en voor de doorvoer door de Europese Unie van tussenproducten voor de vervaardiging van geneesmiddelen, geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, medische hulpmiddelen voor medische en veterinaire doeleinden, actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek voor medische en veterinaire doeleinden, laboratoriumreagentia en cosmetische producten

Image

Image

Image

Image

Image

12.

Bijlage XVI, hoofdstuk III, afdeling 11, wordt vervangen door:

„Afdeling 11

Officiële controles op hydrolyse gevolgd door verwijdering

De bevoegde autoriteit voert controles uit op locaties waar hydrolyse gevolgd door verwijdering plaatsvindt overeenkomstig bijlage IX, hoofdstuk V, afdeling 2, punt B.

Om de hoeveelheden verzonden en verwijderd gehydrolyseerd materiaal met elkaar te vergelijken, omvatten die controles documentencontroles:

a)

van de hoeveelheid op de locatie gehydrolyseerd materiaal;

b)

in de inrichtingen of bedrijven waar het gehydrolyseerde materiaal wordt verwijderd.

De controles vinden op gezette tijden plaats op basis van een risicobeoordeling.

Gedurende de eerste twaalf maanden na de inbedrijfstelling wordt een controlebezoek gebracht aan een locatie waar zich een recipiënt voor hydrolyse bevindt, telkens wanneer gehydrolyseerd materiaal uit de recipiënt wordt gehaald.

Na de eerste twaalf maanden na inbedrijfstelling wordt aan die locaties een controlebezoek gebracht telkens wanneer de recipiënt wordt geleegd en op corrosie en lekkage wordt gecontroleerd overeenkomstig bijlage IX, hoofdstuk V, afdeling 2, punt B.3 j).”

.

 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving