Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.2-6.6

VERORDENING (EU) Nr. 277/2012 VAN DE COMMISSIE

van 28 maart 2012

tot wijziging van de bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten en actiedrempels voor dioxinen en polychloorbifenylen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (1), en met name artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/32/EG verbiedt het gebruik van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen de in bijlage I bij die richtlijn vermelde maximumgehalten overschrijdt. Bijlage II bij die richtlijn stelt actiedrempels vast voor het verrichten van onderzoek in gevallen van verhoogde gehalten van deze stoffen.

(2)

Dioxinen, zoals bedoeld in deze verordening, omvatten een groep van 75 polychloordibenzo-para-dioxinecongeneren (PCDD’s) en 135 polychloordibenzofuraancongeneren (PCDF’s), waarvan er 17 uit toxicologisch oogpunt van belang zijn. Polychloorbifenylen (pcb’s) zijn een groep van 209 verschillende congeneren die volgens hun toxicologische eigenschappen in twee groepen kunnen worden verdeeld: 12 congeneren bezitten soortgelijke toxicologische eigenschappen als dioxinen en worden daarom dikwijls dioxineachtige pcb’s (dl-pcb’s) genoemd. De andere pcb’s vertonen geen dioxineachtige toxiciteit, maar hebben een ander toxicologisch profiel.

(3)

Van de congeneren van dioxinen of dioxineachtige pcb’s die van toxicologisch belang zijn, vertoont elk een verschillend niveau van toxiciteit. Voor de vaststelling van de toxiciteit van deze verschillende congeneren is het begrip toxische-equivalentiefactor (TEF) geïntroduceerd om de risicobeoordeling en wettelijke controle te vergemakkelijken. Dat betekent dat de analyseresultaten voor alle dioxinecongeneren en dioxineachtige pcb-congeneren die uit toxicologisch oogpunt van belang zijn in één kwantificeerbare eenheid worden uitgedrukt, namelijk het TCDD toxische equivalent (TEQ).

(4)

Wat de dioxinen en dioxineachtige pcb’s betreft, heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2005 nieuwe waarden voor de toxische-equivalentiefactoren in vergelijking met de door de WHO in 1998 vastgestelde waarden voorgesteld. Op verzoek van de Commissie heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een wetenschappelijk verslag over de resultaten van de monitoring van dioxinegehalten in levensmiddelen en diervoeders („Results of the monitoring of dioxin levels in food and feed” (2)) uitgebracht, waarin met die nieuwe waarden, zoals voorgesteld door de WHO, en recente door de Commissie verzamelde informatie rekening wordt gehouden. Gezien dat verslag is het dienstig dat de maximumgehalten en de drempelwaarden voor dioxinen en dioxineachtige pcb’s worden gewijzigd.

(5)

Wat de niet-dioxineachtige pcb’s betreft, heeft de EFSA op verzoek van de Commissie een advies in verband met de aanwezigheid van niet-dioxineachtige pcb’s in diervoeders en levensmiddelen goedgekeurd (3).

(6)

Polychloorbifenylen (pcb’s) vormen een groep van 209 verschillende pcb-congeneren. De som van de zes indicator-pcb-congeneren (PCB 28, 52, 101, 138, 153 en 180) omvat ongeveer de helft van het aantal totale niet-dioxineachtige pcb’s die in diervoeders en levensmiddelen aanwezig zijn. De EFSA beschouwde de som van de zes indicator-pcb’s als een geschikte indicator voor het vóórkomen en de menselijke blootstelling aan niet-dioxineachtige pcb’s. Bovendien is het onpraktisch en zeer duur en zonder echte voordelen voor de wetshandhaving dat voor officiële controles telkens alle 209 pcb-congeneren worden geanalyseerd. Daarom moeten maximumgehalten als som van deze 6 pcb’s worden vastgesteld.

(7)

De maximumgehalten voor niet-dioxineachtige pcb’s zijn vastgesteld, rekening houdend met recente gegevens over het vóórkomen daarvan. Deze recente gegevens staan vermeld in het wetenschappelijke verslag van de EFSA over de resultaten van de monitoring van niet-dioxineachtige pcb’s in levensmiddelen en diervoeders („Results of the monitoring of non dioxin-like PCBs in food and feed” (4)). Hoewel het mogelijk is een lagere bepaalbaarheidsgrens (LOQ) te bereiken, kan worden waargenomen dat een aanzienlijk aantal officiële controlelaboratoria een LOQ van 0,5 ng/kg product of zelfs 1 ng/kg product toepast. De uitdrukking van het analyseresultaat als een bovengrens zou in sommige gevallen reeds leiden tot een niveau dat dicht bij het maximumniveau ligt, ook indien geen pcb’s zijn gekwantificeerd. Er is ook erkend dat voor bepaalde diervoedercategorieën de gegevens niet zeer extensief waren. Daarom zou het dienstig zijn als de maximumgehalten over drie jaar opnieuw werden bekeken op basis van de gegevens van een meer extensieve gegevensbank, die zijn verkregen met behulp van een analysemethode met een toereikend gevoeligheidsniveau om lage niveaus te kwantificeren.

(8)

Uit overdrachtstudies blijkt dat de aanwezigheid van dioxinen, dioxineachtige pcb’s en niet-dioxineachtige pcb’s in diervoeders in de in bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG vastgestelde maximumgehalten in sommige gevallen kan resulteren in levensmiddelen van dierlijke oorsprong waarbij de toepasselijke maximumgehalten worden overschreden, als vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (5). Het is echter niet mogelijk om lagere maximumgehalten vast te stellen, rekening houdend met de gevoeligheid van de thans beschikbare analysemethoden en het feit dat de maximumgehalten als bovengrenzen worden vastgesteld. Bovendien is het in de meeste gevallen onwaarschijnlijk dat een dier gedurende lange tijd wordt blootgesteld aan een diervoeder dat aan de voorschriften voldoet maar een gehalte aan dioxinen en/of pcb’s bevat dat dicht bij het maximumgehalte ligt of met dit gehalte overeenkomt.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/32/EG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(2)  EFSA Journal 2010; 8(3):1385, http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/1385.pdf

(3)  EFSA Journal (2005) 284, 1-137, http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/284.pdf

(4)  EFSA Journal 2010; 8(7):1701, http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/1701.pdf

(5)  PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5.


BIJLAGE

1.

In bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG wordt afdeling V: Dioxinen en pcb’s vervangen door:

„AFDELING V:   DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg (ppt) (1) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Dioxinen (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD’s) en de polychloordibenzofuranen (PCDF’s), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (2))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

0,75

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,75

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,75

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

1,50

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,75

visolie

5,0

vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (3)

1,25

viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

1,75

De toevoegingsmiddelen voor diervoeders kaoliniethoudende klei, vermiculiet, natroliet-fonoliet, synthetische calciumaluminaten en clinoptiloliet van sedimentaire oorsprong, behorende tot de functionele groep „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,75

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,0

Voormengsels

1,0

Mengvoeders, met uitzondering van:

0,75

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

1,75

mengvoeders voor pelsdieren

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg (ppt) (1) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

2.

Som van dioxinen en dioxineachtige pcb’s (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCCD’s), polychloordibenzofuranen (PCDF’s) en polychloorbifenylen (pcb’s), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (2))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

1,25

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

1,5

Voedermiddelen van minerale oorsprong

1,0

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

2,0

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

1,25

visolie

20,0

vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (3)

4,0

viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

9,0

De toevoegingsmiddelen voor diervoeders kaoliniethoudende klei, vermiculiet, natroliet-fonoliet, synthetische calciumaluminaten en clinoptiloliet van sedimentaire oorsprong, behorende tot de functionele groep „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

1,5

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,5

Voormengsels

1,5

Mengvoeders, met uitzondering van:

1,5

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

5,5

mengvoeders voor pelsdieren

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 % (1)

3.

Niet-dioxineachtige pcb’s (som van PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 138, PCB 153 en PCB 180 (ICES — 6) (1))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

10

Voedermiddelen van minerale oorsprong

10

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

10

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

10

visolie

175

vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (4)

30

viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

50

De toevoegingsmiddelen voor diervoeders kaoliniethoudende klei, vermiculiet, natroliet-fonoliet, synthetische calciumaluminaten en clinoptiloliet van sedimentaire oorsprong, behorende tot de functionele groep „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

10

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

10

Voormengsels

10

Mengvoeders, met uitzondering van:

10

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

40

mengvoeders voor pelsdieren

2.

Bijlage II bij Richtlijn 2002/32/EG wordt vervangen door:

„BIJLAGE II

ACTIEDREMPELS VOOR HET VERRICHTEN VAN ONDERZOEK DOOR DE LIDSTATEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2

AFDELING: DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Actiedrempel in ng WHO-PCDD/F TEQ/kg (ppt) (6) voor een diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Opmerkingen en aanvullende informatie (bv. de aard van de te verrichten onderzoeken)

1.

Dioxinen (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD’s) en de polychloordibenzofuranen (PCDF’s)), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (5))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

0,5

 (7)

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (7)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,5

 (7)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

0,75

 (7)

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,5

 (7)

visolie

4,0

 (8)

vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (7)

0,75

 (8)

viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

1,25

 (8)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (7)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,5

 (7)

Voormengsels

0,5

 (7)

Mengvoeders, met uitzondering van:

 

 

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

1,25

 (8)

mengvoeders voor pelsdieren

 

2.

Dioxineachtige pcb’s (som van de polychloorbifenylen (pcb’s)), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 2005 (5))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

0,35

 (7)

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (7)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,35

 (7)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

0,75

 (7)

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,35

 (7)

visolie

11,0

 (8)

vis, andere waterdieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwit, gehydrolyseerd, dat meer dan 20 % vet bevat (7)

2,0

 (8)

viseiwit, gehydroliseerd, dat meer dan 20 % vet bevat

5,0

 (8)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (7)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,35

 (7)

Voormengsels

0,35

 (7)

Mengvoeders, met uitzondering van:

0,5

 (7)

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

2,5

 (8)

mengvoeders voor pelsdieren

 


(1)  Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(2)  Tabel van toxische-equivalentiefactoren (TEF’s) voor dioxinen, furanen en dioxineachtige pcb’s:

De WHO-TEF’s voor menselijke risicobeoordeling zijn gebaseerd op de conclusies van de vergadering van deskundigen van de World Health Organization (WHO) — International Programme on Chemical Safety (IPCS), die in juni 2005 in Genève is gehouden (Martin van den Berg et al., The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds. Toxicological Sciences 93(2), 223-241 (2006))

Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-para-dioxinen („PCDD’s”) en dibenzo-para-furanen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

 

 

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho-pcb’s

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0003

PCB 126

0,1

PCB 169

0,03

 

 

Mono-ortho-pcb’s

PCB 105

0,00003

PCB 114

0,00003

PCB 118

0,00003

PCB 123

0,00003

PCB 156

0,00003

PCB 157

0,00003

PCB 167

0,00003

PCB 189

0,00003

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.

(3)  Voor verse vis en andere waterdieren die direct worden geleverd en zonder verdere verwerking voor de productie van voeders voor pelsdieren worden gebruikt, gelden de maximumgehalten niet, en voor verse vis die voor rechtstreekse voeding van gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren of als voedermiddel voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren wordt gebruikt, geldt een maximumgehalte van 3,5 ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg product en 6,5 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product en 20,0 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product voor vislever. De producten of verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van deze dieren (pelsdieren, gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren), mogen niet in de voedselketen komen en het vervoederen ervan aan landbouwhuisdieren die voor de productie van levensmiddelen gehouden, vetgemest of gefokt worden, is verboden.

(4)  Voor verse vis en andere waterdieren die direct worden geleverd en zonder verdere verwerking voor de productie van voeders voor pelsdieren worden gebruikt, gelden de maximumgehalten niet, en voor verse vis die voor rechtstreekse voeding van gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren of als voedermiddel voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren wordt gebruikt, geldt een maximumgehalte van 75 μg/kg product en 200 μg/kg product voor vislever. De producten en verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van deze dieren (pelsdieren, gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren), mogen niet in de voedselketen komen en het vervoederen ervan aan landbouwhuisdieren die voor de productie van levensmiddelen gehouden, vetgemest of gefokt worden, is verboden.”

(5)  Tabel van toxische-equivalentiefactoren (TEF’s) voor dioxinen, furanen en dioxineachtige pcb’s:

De WHO-TEF’s voor menselijke risicobeoordeling zijn gebaseerd op de conclusies van de vergadering van deskundigen van de World Health Organization (WHO) — International Programme on Chemical Safety (IPCS), die in juni 2005 in Genève is gehouden (Martin van den Berg et al., The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds. Toxicological Sciences 93(2), 223-241 (2006))

Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-para-dioxinen („PCDD’s”) en dibenzo-para-furanen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0003

 

 

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,03

2,3,4,7,8-PeCDF

0,3

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0003

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho-pcb’s

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0003

PCB 126

0,1

PCB 169

0,03

 

 

Mono-ortho-pcb’s

PCB 105

0,00003

PCB 114

0,00003

PCB 118

0,00003

PCB 123

0,00003

PCB 156

0,00003

PCB 157

0,00003

PCB 167

0,00003

PCB 189

0,00003

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.

(6)  Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(7)  Vaststelling van bron van contaminatie. Neem na vaststelling van de bron van contaminatie zo mogelijk passende maatregelen om deze te reduceren of te elimineren.

(8)  In veel gevallen is het wellicht niet nodig een onderzoek naar de bron van de contaminatie te verrichten, aangezien het achtergrondniveau in sommige gebieden dicht bij of boven de actiedrempel ligt. Indien de actiedrempel echter wordt overschreden, moeten alle gegevens, zoals bemonsteringsperiode, geografische herkomst, vissoort enz., worden geregistreerd met het oog op toekomstige maatregelen voor de aanpak van de aanwezigheid van dioxinen en dioxineachtige verbindingen in deze diervoeders.”


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving