Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

2.2-6.4

VERORDENING (EU) Nr. 574/2011 VAN DE COMMISSIE

van 16 juni 2011

tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten voor nitriet, melamine, Ambrosia spp. en versleping van bepaalde coccidiostatica en histomonostatica en tot consolidering van de bijlagen I en II

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (1), en met name op artikel 8, lid 1, en artikel 8, lid 2, eerste streepje,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/32/EG verbiedt het gebruik van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen de in bijlage I bij die richtlijn vermelde maximumgehalten overschrijdt. Voor bepaalde ongewenste stoffen moeten de lidstaten onderzoek naar de bronnen van die stoffen verrichten, als de in bijlage II bij die richtlijn vastgestelde drempelwaarden worden overschreden.

(2)

Wat nitriet betreft, werd geconstateerd dat de producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van de zetmeelproductie onder bepaalde omstandigheden nitrietgehalten bevatten die de onlangs in bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG vastgestelde maximumgehalten overschrijden. Verder blijkt dat de analysemethode voor de bepaling van nitriet in diervoeders niet altijd betrouwbare analyseresultaten voor de producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van de zetmeelproductie oplevert. Aangezien de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) in haar advies van 25 maart 2009 (2) heeft geconcludeerd dat de aanwezigheid van nitriet in dierlijke producten geen probleem vormt voor de menselijke gezondheid, moeten de betrokken producten voorlopig worden vrijgesteld van toepassing van het maximumgehalte van nitriet in voedermiddelen, terwijl verder onderzoek wordt gedaan naar de nitrietgehalten in die producten en geschikte analysemethoden.

(3)

Wat melamine betreft, heeft de EFSA op 18 maart 2010 een wetenschappelijk advies over melamine in levensmiddelen en diervoeders (3) goedgekeurd. Uit de bevindingen van de EFSA blijkt dat blootstelling aan melamine kan leiden tot de vorming van kristallen in de urinewegen. Deze kristallen veroorzaken schade aan de proximale tubuli en zijn waargenomen bij dieren en kinderen naar aanleiding van voorvallen waarbij diervoeders en zuigelingenvoeding met melamine zijn vermengd, wat in sommige gevallen fatale gevolgen heeft gehad. De commissie van de Codex Alimentarius heeft maximumgehalten voor melamine in diervoeders en levensmiddelen vastgesteld (4). Deze maximumgehalten moeten in bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG worden opgenomen met het oog op de bescherming van de dier- en volksgezondheid, aangezien deze gehalten in overeenstemming zijn met de conclusies van het advies van de EFSA. Sommige toevoegingsmiddelen voor diervoeding moeten worden vrijgesteld van de maximumgehalten, aangezien zij onvermijdelijk een melaminegehalte bevatten dat als gevolg van het normale productieproces boven het maximumgehalte ligt.

(4)

Wat Ambrosia spp. betreft, concludeerde de EFSA in haar advies van 4 juni 2010 (5) dat vogelvoer een belangrijke rol speelt bij de verspreiding van Ambrosia spp., met name in voorheen niet-besmette gebieden, aangezien het vaak significante hoeveelheden onverwerkte zaden van Ambrosia spp. bevat. Daarom zal de preventie van het gebruik van met onverwerkte zaden van Ambrosia spp. verontreinigd vogelvoer de verdere verspreiding van Ambrosia spp. in de Unie waarschijnlijk verminderen. Ambrosia spp. vormt een probleem voor de volksgezondheid wegens de allergische eigenschappen van de pollen daarvan. Inhalering van de pollen kan onder meer rinoconjunctivitis en astma veroorzaken. Er bestaat ook bewijsmateriaal voor de allergeniteit van Ambrosia spp.-pollen bij dieren. Daarom moet de aanwezigheid van Ambrosia spp.-zaden in voedermiddelen en mengvoeders die ongemalen granen en zaden bevatten, worden beperkt en moet een maximumgehalte van Ambrosia spp-zaden in ongemalen granen en zaden worden vastgesteld op een zo laag als redelijkerwijs mogelijk niveau (ALARA) dat met goede landbouwpraktijken en reinigingstechnieken kan worden bereikt.

(5)

Wat coccidiostatica en histomonostatica betreft, kan een overdracht van de ene productiepartij op de andere plaatsvinden, wanneer dergelijke stoffen als toegestane toevoegingsmiddelen voor diervoeders worden gebruikt. Een dergelijke overdracht kan leiden tot een verontreiniging van de daarna geproduceerde diervoeders door de aanwezigheid van technisch niet te voorkomen sporen van dergelijke stoffen, niet te voorkomen versleping of kruisbesmetting genoemd, in diervoeders waarvoor coccidiostatica en histomonostatica niet zijn toegestaan, niet-doeldiervoeders genoemd. Rekening houdend met de toepassing van goede productiepraktijken moeten de maximumgehalten voor niet te voorkomen versleping van coccidiostatica en histomonostatica naar niet-doeldiervoeders worden vastgesteld overeenkomstig het ALARA-beginsel (As Low As Reasonably Achievable: zo laag als redelijkerwijs mogelijk). Om de diervoederproducent in staat te stellen de niet te voorkomen versleping te beheersen moet voor voeders voor minder gevoelige niet-doeldiersoorten een versleping van omstreeks 3 % van het toegestane maximumgehalte worden overwogen, en voor voeders voor gevoelige niet-doeldiersoorten en voeders die gebruikt worden in de periode vóór het slachten, een versleping van omstreeks 1 % van het toegestane maximumgehalte. Het verslepingspercentage van 1 % moet ook worden overwogen voor kruisverontreiniging van andere voeders voor doeldiersoorten, waaraan geen coccidiostatica of histomonostatica worden toegevoegd, en voor niet-doeldiervoeders voor „continu voedselproducerende dieren”, zoals melkkoeien en leghennen, als gebleken is dat er overdracht van diervoeders naar levensmiddelen van dierlijke oorsprong kan plaatsvinden. Indien voedermiddelen rechtstreeks aan de dieren worden vervoederd of indien aanvullende diervoeders worden gebruikt, mag dit niet leiden tot een blootstelling van de dieren aan een hoger gehalte van coccidiostatica of histomonostatica dan de overeenkomstige maximale blootstellingsniveaus wanneer alleen volledige diervoeders in een dagrantsoen worden gebruikt.

(6)

Wat de coccidiostatica narasin, nicarbazine en lasalocide-natrium betreft, moet bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG worden gewijzigd om rekening te houden met recente wijzigingen van de vergunningen voor die stoffen en Verordening (EG) nr. 124/2009 van de Commissie van 10 februari 2009 tot vaststelling van maximumgehalten voor coccidiostatica en histomonostatica in levensmiddelen als gevolg van niet te voorkomen versleping van die stoffen naar niet-doeldiervoeders (6) moet bijgevolg worden gewijzigd.

(7)

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/32/EG zijn in het verleden reeds herhaaldelijk en grondig aangepast. Daarom moeten die bijlagen worden geconsolideerd. Voor de verbetering van de duidelijkheid en de leesbaarheid van die bijlagen moeten deze worden geherstructureerd en moet de terminologie worden geharmoniseerd. Aangezien de in de bijlagen vervatte bepalingen rechtstreeks toepasselijk zijn en in al hun onderdelen verbindend zijn, moeten deze bijlagen bij een verordening worden vastgesteld.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/32/EG worden vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2011.

De bepalingen met betrekking tot Ambrosia spp. zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 juni 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(2)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen, Scientific Opinion on Nitrite as undesirable substances in animal feed, The EFSA Journal (2009) 1017, 1-47. Online te vinden op: http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/doc/1017.pdf.

(3)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (CONTAM) en EFSA-panel voor materialen die met levensmiddelen in aanraking komen, enzymen, aroma’s en technische hulpstoffen (CEF); Scientific Opinion on Melamine in Food and Feed. EFSA Journal 2010; 8(4):1573. [145 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1573. Online te vinden op: http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/doc/1573.pdf.

(4)  Report on the Thirty-Third Session of the Joint FAO/WHO Food Standards Programme, Codex Alimentarius Commission, Geneva, Switzerland, 5-9 July 2010 (ALINORM 10/33/REP).

(5)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (CONTAM), EFSA-panel voor dieetproducten, voeding en allergieën (NDA) en EFSA-panel voor de gezondheid van gewassen (PLF); Scientific Opinion on the effect on public or animal health or on the environment on the presence of seeds of Ambrosia spp. in animal feed. EFSA Journal 2010; 8(6):1566 [37 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1566. Online te vinden op: http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/doc/1566.pdf.

(6)  PB L 140 van 11.2.2009, blz. 7.


BIJLAGE

De bijlagen I en II bij Richtlijn 2002/32/EG worden vervangen door:

BIJLAGE I

MAXIMUMGEHALTEN VAN ONGEWENSTE STOFFEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3, LID 2

AFDELING I:   ANORGANISCHE VERONTREINIGENDE STOFFEN EN STIKSTOFVERBINDINGEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Arseen (1)

Voedermiddelen

2

met uitzondering van:

 

gemalen grasmeel, luzernemeel en klavermeel alsmede al dan niet gemelasseerde gedroogde suikerbietenpulp;

4

palmpitschilfers;

4 (2)

fosfaten en koolzure algenkalk;

10

calciumcarbonaat;

15

magnesiumoxide en magnesiumcarbonaat;

20

vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten;

25 (2)

gemalen gedroogd zeewier en voedermiddelen op basis van zeewier.

40 (2)

Als tracer gebruikte ijzerpartikels.

50

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

30

met uitzondering van:

 

koper(II)sulfaat-pentahydraat en koper(II)carbonaat;

50

zinkoxide, mangaan(II)oxide en koper(II)oxide.

100

Aanvullende diervoeders

4

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders.

12

Volledige diervoeders

2

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor vis en pelsdieren.

10 (2)

2.

Cadmium

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong.

1

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong.

2

Voedermiddelen van minerale oorsprong

2

met uitzondering van:

 

fosfaten.

10

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

10

met uitzondering van:

 

koper(II)oxide, mangaan(II)oxide, zinkoxide en mangaan(II)sulfaat-monohydraat.

30

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”.

2

Voormengsels (6)

15

Aanvullende diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders

 

– –

bevattende < 7 % fosfor (8);

5

– –

bevattende ≥ 7 % fosfor (8);

0,75 per 1 % fosfor (8), met een maximum van 7,5

aanvullende diervoeders voor gezelschapsdieren.

2

Volledige diervoeders

0,5

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren), geiten (met uitzondering van geitenlammeren) en vis;

1

volledige diervoeders voor gezelschapsdieren.

2

3.

Fluor (7)

Voedermiddelen

150

met uitzondering van:

 

voedermiddelen van dierlijke oorsprong met uitzondering van zeewaterschaaldieren zoals krill;

500

zeewaterschaaldieren zoals krill;

3 000

fosfaten;

2 000

calciumcarbonaat;

350

magnesiumoxide;

600

koolzure algenkalk.

1 000

Vermiculiet (E 561).

3 000

Aanvullende diervoeders:

 

bevattende ≤ 4 % fosfor (8),

500

bevattende > 4 % fosfor (8);

125 per 1 % fosfor (8)

Volledige diervoeders

150

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor varkens;

100

volledige diervoeders voor pluimvee (met uitzondering van kuikens) en vis;

350

volledige diervoeders voor kuikens;

250

volledige diervoeders voor runderen, schapen en geiten

 

– –

die zogen;

30

– –

andere.

50

4.

Lood

Voedermiddelen

10

met uitzondering van:

 

groenvoeder (3);

30

fosfaten en koolzure algenkalk;

15

calciumcarbonaat;

20

gist.

5

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

100

met uitzondering van:

 

zinkoxide

400

mangaan(II)oxide, ijzer(II)carbonaat, koper(II)carbonaat.

200

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”.

30

met uitzondering van:

 

clinoptiloliet van vulkanische oorsprong.

60

Voormengsels (6)

200

Aanvullende diervoeders

10

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders.

15

Volledige diervoeders.

5

5.

Kwik (4)

Voedermiddelen

0,1

met uitzondering van:

 

vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten;

0,5

calciumcarbonaat.

0,3

Mengvoeders

0,1

met uitzondering van:

 

minerale diervoeders;

0,2

mengvoeders voor vis;

0,2

mengvoeders voor honden, katten en pelsdieren.

0,3

6.

Nitriet (5)

Voedermiddelen

15

met uitzondering van:

 

vismeel;

30

kuilvoeder;

producten en bijproducten van suikerbiet en suikerriet en van zetmeelproductie.

Volledige diervoeders

15

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor honden en katten met een vochtgehalte van meer dan 20 %.

7.

Melamine (9)

Diervoeders

2,5

met uitzondering van de toevoegingsmiddelen voor diervoeding:

 

guanidinoazijnzuur (GAA);

ureum;

biureet.

 

AFDELING II:   MYCOTOXINEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Aflatoxine B1

Voedermiddelen

0,02

Aanvullende en volledige diervoeders

0,01

met uitzondering van:

 

mengvoeders voor melkkoeien en kalveren, melkschapen en lammeren, melkgeiten en geitenlammeren, biggen en jong pluimvee;

0,005

mengvoeders voor runderen (met uitzondering van melkkoeien en kalveren), schapen (met uitzondering van melkschapen en lammeren), geiten (met uitzondering van melkgeiten en geitenlammeren), varkens (met uitzondering van biggen) en pluimvee (met uitzondering van jonge dieren)

0,02

2.

Moederkoren (Claviceps purpurea)

Voedermiddelen en mengvoeders die ongemalen granen bevatten.

1 000

 

AFDELING III:   INHERENTE PLANTENTOXINEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Vrij gossypol

Voedermiddelen

20

met uitzondering van:

 

katoenzaad;

5 000

katoenzaadkoeken en katoenzaadmeel.

1 200

Volledige diervoeders

20

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren);

500

volledige diervoeders voor schapen (met uitzondering van lammeren) en geiten (met uitzondering van geitenlammeren);

300

volledige diervoeders voor pluimvee (met uitzondering van legkippen) en kalveren;

100

volledige diervoeders voor konijnen, lammeren, geitenlammeren en varkens (met uitzondering van biggen)

60

2.

Waterstofcyanide

Voedermiddelen

50

met uitzondering van:

 

lijnzaad;

250

lijnzaadkoeken;

350

maniokproducten en amandelkoeken.

100

Volledige diervoeders

50

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor jonge kippen (< zes weken).

10

3.

Theobromine

Volledige diervoeders

300

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor varkens;

200

volledige diervoeders voor honden, konijnen, paarden en pelsdieren.

50

4.

Vinylthiooxazolidon (5-vinyloxazolidine-2-thion)

Volledige diervoeders voor pluimvee

1 000

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor legkippen.

500

5.

Vluchtige mosterdolie (10)

Voedermiddelen

100

met uitzondering van:

 

koolzaadkoeken.

4 000

Volledige diervoeders

150

met uitzondering van:

 

volledige diervoeders voor runderen (met uitzondering van kalveren), schapen (met uitzondering van lammeren) en geiten (met uitzondering van geitenlammeren);

1 000

volledige diervoeders voor varkens (met uitzondering van biggen) en pluimvee.

500

 

AFDELING IV:   ORGANISCHE CHLOORVERBINDINGEN (MET UITZONDERING VAN DIOXINEN EN PCB’s)

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Aldrin (11)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01 (12)

2.

Dieldrin (11)

met uitzondering van:

 

vetten en oliën;

0,1 (12)

mengvoeders voor vis.

0,02 (12)

3.

Chloorkamfeen (toxafeen) — som van de indicatorcongeneren CHB 26, 50 en 62 (13)

vis, andere waterdieren en daarvan afgeleide producten

0,02

met uitzondering van

 

visolie.

0,2

Volledig visvoeder.

0,05

4.

Chloordaan (som van cis- en transisomeer en van oxychloordaan, uitgedrukt als chloordaan)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,02

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,05

5.

DDT (som van DDT-, DDD- (of TDE-) en DDE-isomeren, uitgedrukt als DDT)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,05

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,5

6.

Endosulfan (som van alfa- en bèta-isomeer en van endosulfansulfaat, uitgedrukt als endosulfan)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,1

met uitzondering van:

 

mais en maisproducten afgeleid van de verwerking daarvan;

0,2

oliehoudende zaden en producten afgeleid van de verwerking daarvan, met uitzondering van ruwe plantaardige olie;

0,5

ruwe plantaardige olie;

1,0

volledig visvoeder.

0,005

7.

Endrin (som van endrin en delta-keto-endrin, uitgedrukt als endrin)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,05

8.

Heptachloor (som van heptachloor en heptachloorepoxide, uitgedrukt als heptachloor)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,2

9.

Hexachloorbenzeen (HCB)

Voedermiddelen en mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,2

10.   

Hexachloorcyclohexaan (HCH)

alfa-isomeer

Voedermiddelen en mengvoeders

0,02

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,2

bèta-isomeer

Voedermiddelen

0,01

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

0,1

Mengvoeders

0,01

met uitzondering van:

 

mengvoeders voor melkkoeien.

0,005

gamma-isomeer

Voedermiddelen en mengvoeders

0,2

met uitzondering van:

 

vetten en oliën.

2,0

 

AFDELING V:   DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg (ppt) ( (14), (15)) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Dioxine (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD’s) en de polychloordibenzofuranen (PCDF’s), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 1997 (17))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

0,75

met uitzondering van:

 

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,75

Voedermiddelen van minerale oorsprong

1,0

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

2,0

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,75

visolie

6,0

Vis, andere zeedieren en (neven)producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten (16)

1,25

viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten

2,25

De toevoegingsmiddelen voor diervoeders kaoliniethoudende klei, calciumsulfaat-dihydraat, vermiculiet, natroliet-fonoliet, synthetische calciumaluminaten en clinoptiloliet van sedimentaire oorsprong, behorende tot de functionele groep „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,75

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,0

Voormengsels

1,0

Mengvoeders

0,75

met uitzondering van:

 

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

2,25

mengvoeders voor pelsdieren

2.

Som van dioxinen en dioxineachtige pcb’s (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD’s), polychloordibenzofuranen (PCDF’s) en polychloorbifenylen (pcb’s), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 1997 (17))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

1,25

met uitzondering van:

 

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

1,5

Voedermiddelen van minerale oorsprong

1,5

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

3,0

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

1,25

visolie

24,0

Vis, andere zeedieren en (neven)producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten (16)

4,5

viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten

11,0

De toevoegingsmiddelen voor diervoeders kaoliniethoudende klei, calciumsulfaat-dihydraat, vermiculiet, natroliet-fonoliet, synthetische calciumaluminaten en clinoptiloliet van sedimentaire oorsprong, behorende tot de functionele groep „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

1,5

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

1,5

Voormengsels

1,5

Mengvoeders

1,5

met uitzondering van:

 

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

7,0

mengvoeders voor pelsdieren

 

AFDELING VI:   SCHADELIJKE BOTANISCHE VERONTREINIGINGEN

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Onkruidzaden en niet gemalen of verpulverde vruchten die alkaloïden, glucosiden of andere giftige stoffen bevatten, afzonderlijk of tezamen, waaronder:

Voedermiddelen en mengvoeders

3 000

Datura sp.

 

1 000

2.

Crotalaria spp.

Voedermiddelen en mengvoeders

100

3.

Zaden en doppen van Ricinus communis L., Croton tiglium L. en Abrus precatorius L., alsook de door verwerking ervan verkregen bijproducten (18), afzonderlijk of tezamen

Voedermiddelen en mengvoeders

10 (19)

4.

Beuk, ongeschilde zaden — Fagus silvatica L.

5.

Purgeernoot — Jatropha curcas L.

6.

Indische bruine mosterd — Brassica juncea (L.) Czern. Coss. ssp. integrifolia (West.) Thell.

7.

Sareptamosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea

8.

Chinese mosterd — Brassica juncea (L.) Czern. en Coss. ssp. juncea var. lutea Batalin

9.

Zwarte mosterd — Brassica nigra (L.) Koch

10.

Ethiopische mosterd — Brassica carinata A. Braun

Voedermiddelen en mengvoeders

Zaden en vruchten van de nevenstaande plantensoorten en de door verwerking ervan verkregen bijproducten mogen niet in diervoeders voorkomen tenzij als sporen die niet kwantitatief kunnen worden bepaald

11.

Zaden van Ambrosia spp.

Voedermiddelen

50

met uitzondering van

 

Gierst (granen van Panicum milaceum L.) en sorghum (granen of Sorghum bicolor (L) Moench s.l.), niet rechtstreeks vervoederd aan dieren

200

Mengvoeders die ongemalen granen en zaden bevatten

50

 

AFDELING VII:   TOEGESTANE TOEVOEGINGSMIDDELEN IN NIET-DOELDIERVOEDERS ALS GEVOLG VAN NIET TE VOORKOMEN VERSLEPING

Coccidiostatica

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren (20)

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

1.

Decoquinaat

Voedermiddelen

0,4

Mengvoeders voor

 

legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,4

mestkippen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van decoquinaat verboden is (eindvoeders)

0,4

andere diersoorten

1,2

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van decoquinaat niet toegestaan is

 (21)

2.

Diclazuril

Voedermiddelen

0,01

Mengvoeders voor

 

legpluimvee, opfokleghennen > 16 weken) en mestkalkoenen > twaalf weken)

0,01

mestkonijnen en fokkonijnen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van diclazuril verboden is (eindvoeders)

0,01

andere diersoorten dan opfokleghennen < 16 weken), mestkippen, parelhoenders en mestkalkoenen < twaalf weken)

0,03

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van diclazuril niet toegestaan is

 (21)

3.

Halofuginone-hydrobro-mide

Voedermiddelen

0,03

Mengvoeders voor

 

legpluimvee, opfokleghennen en kalkoenen (> twaalf weken)

0,03

mestkippen en kalkoenen (< twaalf weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van halofuginonehydrobromide verboden is (eindvoeders)

0,03

andere diersoorten

0,09

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van halofuginonehydrobromide niet toegestaan is

 (21)

4.

Lasalocide-natrium

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

honden, kalveren, konijnen, paardachtigen, melkvee, legpluimvee, kalkoenen (> 16 weken) en opfokleghennen (> 16 weken)

1,25

mestkippen, opfokleghennen (< 16 weken) en kalkoenen (< 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van lasalocide-natrium verboden is (eindvoeders)

1,25

andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van lasalocide-natrium niet toegestaan is

 (21)

5.

Maduramicineammonium alfa

Voedermiddelen

0,05

Mengvoeders voor

 

paardachtigen, konijnen, kalkoenen (> 16 weken), legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,05

mestkippen en kalkoenen (< 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van maduramicineammonium alfa verboden is (eindvoeders)

0,05

andere diersoorten

0,15

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van maduramicineammonium alfa niet toegestaan is

 (21)

6.

Monensin-natrium

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

paardachtigen, honden, kleine herkauwers (schapen en geiten), eenden, runderen, melkvee, legpluimvee, opfokleghennen (> 16 weken) en kalkoenen (> 16 weken)

1,25

mestkippen, opfokleghennen (< 16 weken) en kalkoenen (< 16 weken) gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van monensin-natrium verboden is (eindvoeders)

1,25

andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van monensin-natrium niet toegestaan is

 (21)

7.

Narasin

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

kalkoenen, konijnen, paardachtigen, legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,7

andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van narasin niet toegestaan is

 (21)

8.

Nicarbazine

Voedermiddelen

1,25

Mengvoeders voor

 

paardachtigen, legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

1,25

andere diersoorten

3,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van nicarbazine (in combinatie met narasin) niet toegestaan is

 (21)

9.

Robenidinehydrochloride

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,7

mestkippen, mestkonijnen, fokkonijnen en kalkoenen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van robenidinehydrochloride verboden is (eindvoeders)

0,7

andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van robenidinehydrochloride niet toegestaan is

 (21)

10.

Salinomy-cinenatrium

Voedermiddelen

0,7

Mengvoeders voor

 

paardachtigen, kalkoenen, legpluimvee en opfokleghennen (> twaalf weken)

0,7

mestkippen, opfokleghennen (< twaalf weken) en mestkonijnen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van salinomycine-natrium verboden is (eindvoeders)

0,7

andere diersoorten

2,1

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van salinomycine-natrium niet toegestaan is

 (21)

11.

Semdura-micine-natrium

Voedermiddelen

0,25

Mengvoeders voor

 

legpluimvee en opfokleghennen (> 16 weken)

0,25

mestkippen gedurende de periode voorafgaande aan de slacht waarin het gebruik van semduramicine-natrium verboden is (eindvoeders)

0,25

andere diersoorten

0,75

Voormengsels voor gebruik in diervoeders waarin het gebruik van semduramicine-natrium niet toegestaan is

 (21)

BIJLAGE II

ACTIEDREMPELS VOOR HET VERRICHTEN VAN ONDERZOEK DOOR DE LIDSTATEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4, LID 2

AFDELING:

DIOXINEN EN PCB’s

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Actiedrempel in ng WHO-PCDD/F TEQ/kg (ppt) (23), (24) voor een diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Opmerkingen en aanvullende informatie (bv. de aard van de te verrichten onderzoeken)

1.

Dioxinen (som van de polychloordibenzo-para-dioxinen (PCDD’s) en de polychloordibenzofuranen (PCDF’s)), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 1997 (22))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

0,5

 (25)

met uitzondering van:

 

 

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (25)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,5

 (25)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

1,0

 (25)

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,5

 (25)

visolie

5,0

 (26)

vis, andere waterdieren, producten en bijproducten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten (24).

1,0

 (26)

viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten

1,75

 (26)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (26)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,5

 (25)

Voormengsels

0,5

 (25)

Mengvoeders

0,5

 (25)

met uitzondering van:

 

 

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

1,75

 (26)

mengvoeders voor pelsdieren

 

2.

Dioxineachtige pcb’s (som van de polychloorbifenylen (pcb’s)), uitgedrukt in door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) vastgestelde toxische equivalenten, waarbij gebruik wordt gemaakt van de WHO-TEF’s (toxische-equivalentiefactoren van 1997 (22))

Voedermiddelen van plantaardige oorsprong

0,35

 (25)

met uitzondering van:

 

 

plantaardige oliën en bijproducten daarvan

0,5

 (25)

Voedermiddelen van minerale oorsprong

0,35

 (25)

Voedermiddelen van dierlijke oorsprong:

 

 

dierlijk vet, inclusief melkvet en eivet

0,75

 (25)

andere van landdieren afkomstige producten, inclusief melk en melkproducten en eieren en eiproducten

0,35

 (25)

visolie

14,0

 (26)

Vis, andere zeedieren en afgeleide producten daarvan, met uitzondering van visolie en viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten (24)

2,5

 (26)

viseiwithydrolysaten die meer dan 20 % vet bevatten

7,0

 (26)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groepen „Bindmiddelen” en „Antiklontermiddelen”

0,5

 (25)

Toevoegingsmiddelen voor diervoeding, behorende tot de functionele groep „Verbindingen van sporenelementen”

0,35

 (25)

Voormengsels

0,35

 (25)

Mengvoeders

0,5

 (25)

met uitzondering van:

 

 

mengvoeders voor gezelschapsdieren en vis

3,5

 (26)

mengvoeders voor pelsdieren

 


(1)  De maximumgehalten betreffen het totale gehalte aan arseen.

(2)  Op verzoek van de bevoegde autoriteiten moet de verantwoordelijke exploitant een analyse verrichten om aan te tonen dat het gehalte aan anorganisch arseen lager is dan 2 ppm. Deze analyse is van bijzonder belang voor de zeewiersoort Hizikia fusiforme.

(3)  Groenvoeder omvat producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren zoals hooi, kuilvoer, vers gras, enz.

(4)  De maximumgehalten betreffen het totale gehalte aan kwik.

(5)  De maximumgehalten worden uitgedrukt als natriumnitriet.

(6)  Het maximumgehalte voor voormengsels houdt rekening met de toevoegingsmiddelen met het hoogste gehalte aan lood en cadmium en niet met de gevoeligheid van de verschillende diersoorten voor lood en cadmium. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29) moet de producent van voormengsels er ter bescherming van de gezondheid van mens en dier voor zorgen dat niet alleen wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot de maximumgehalten voor voormengsels, maar dat de gebruiksaanwijzingen op het voormengsel ook in overeenstemming zijn met de voorschriften inzake de maximumgehalten voor aanvullende en volledige diervoeders.

(7)  De maximumgehalten hebben betrekking op een analytische bepaling van fluor, waarbij de extractie gedurende 20 minuten op omgevingstemperatuur met zoutzuur 1 N wordt uitgevoerd. Er kunnen gelijkwaardige extractieprocedures worden toegepast waarvoor kan worden aangetoond dat de gebruikte extractieprocedure een gelijke extractie-efficiëntie heeft.

(8)  Het % fosfor heeft betrekking op diervoeders met een vochtgehalte van 12 %.

(9)  Het maximumgehalte betreft alleen melamine. De opname van de structureel verwante verbindingen cyanuurzuur, ammeline en ammelide in het maximumgehalte zal later worden bekeken.

(10)  De maximumgehalten worden uitgedrukt als allylisothiocyanaat.

(11)  Afzonderlijk of gezamenlijk uitgedrukt als dieldrin.

(12)  Maximumgehalte voor aldrin en dieldrin, afzonderlijk of gezamenlijk, uitgedrukt als dieldrin.

(13)  Nummeringssysteem overeenkomstig Parlar, voorafgegaan door „CHB” of „Parlar”:

 

CHB 26: 2-endo,3-exo,5-endo,6-exo,8,8,10,10-octachloorbornaan,

 

CHB 50: 2-endo,3-exo,5-endo,6-exo,8,8,9,10,10-nonachloorbornaan,

 

CHB 62: 2,2,5,5,8,9,9,10,10-nonachloorbornaan.

(14)  Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(15)  Het afzonderlijke maximumgehalte voor dioxinen (PCDD/F’s) blijft tijdelijk van toepassing. De in punt 1 genoemde voor het voederen van dieren bestemde producten moeten tijdens die periode met de maximumgehalten voor dioxinen en met de maximumgehalten voor de som van dioxinen en dioxineachtige pcb’s in overeenstemming zijn.

(16)  Voor verse vis en andere waterdieren die direct wordt geleverd en zonder verdere verwerking voor de productie van voeders voor pelsdieren wordt gebruikt, gelden de maximumgehalten niet, en voor verse vis die voor rechtstreekse voeding van gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren of als voedermiddel voor de productie van voeder voor gezelschapsdieren wordt gebruikt, geldt een maximumgehalte van 4,0 ng WHO-PCDD/F-TEQ/kg product en 8,0 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product en 25,0 ng WHO-PCDD/F-PCB-TEQ/kg product voor vislever. De producten of verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van deze dieren (pelsdieren, gezelschapsdieren, dierentuindieren en circusdieren), mogen niet in de voedselketen komen en het vervoederen ervan aan landbouwhuisdieren die voor de productie van voedingsmiddelen gehouden, vetgemest of gefokt worden, is verboden.

(17)  TEF’s van de WHO voor de beoordeling van de risico’s voor de mens, gebaseerd op de conclusies van de bijeenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie in Stockholm, Zweden, 15-18 juni 1997 (Van den Berg et al., (1998) Toxic Equivalency Factors (TEFs) for PCBs, PCDDs, PCDFs for Humans and for Wildlife). Environmental Health Perspectives, 106 (12), 775).

Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-p-dioxinen („PCDD’s”)en dibenzofuranen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0001

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,05

2,3,4,7,8-PeCDF

0,5

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0001

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho-pcb’s

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0001

PCB 126

0,1

PCB 169

0,01

Mono-ortho-pcb’s

PCB 105

0,0001

PCB 114

0,0005

PCB 118

0,0001

PCB 123

0,0001

PCB 156

0,0005

PCB 157

0,0005

PCB 167

0,00001

PCB 189

0,0001

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.

(18)  Voor zover door analytische microscopie bepaalbaar.

(19)  Omvat ook zaaddopfragmenten.

(20)  Onverminderd de toegestane gehalten in het kader van Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29).

(21)  Het maximumgehalte van de stof in het voormengsel is de concentratie waarbij, indien het voormengsel volgens de gebruiksaanwijzing wordt gebruikt, het gehalte van de stof in het diervoeder niet meer dan 50 % van het voor dat diervoeder geldende maximumgehalte is.

(22)  TEF’s van de WHO voor de beoordeling van de risico’s voor de mens, gebaseerd op de conclusies van de bijeenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie in Stockholm, Zweden, 15-18 juni 1997 (Van den Berg et al., (1998) Toxic Equivalency Factors (TEFs) for PCBs, PCDDs, PCDFs for Humans and for Wildlife). Environmental Health Perspectives, 106 (12), 775).

(23)  Bovengrensconcentraties; bij de berekening van bovengrensconcentraties moet worden aangenomen dat de onder de bepaalbaarheidsgrens liggende waarden van de verschillende congeneren gelijk zijn aan de bepaalbaarheidsgrens.

(24)  De Commissie zal deze actiedrempels tegelijkertijd met de maximumgehalten voor de som van dioxinen en dioxineachtige pcb’s evalueren.

(25)  Vaststelling van bron van contaminatie. Neem na vaststelling van de bron van contaminatie zo mogelijk passende maatregelen om deze te reduceren of te elimineren.

(26)  In veel gevallen is het wellicht niet nodig een onderzoek naar de bron van de contaminatie te verrichten, aangezien het achtergrondniveau in sommige gebieden dichtbij of boven de actiedrempel ligt. Indien de actiedrempel echter wordt overschreden, dienen alle gegevens, zoals bemonsteringsperiode, geografische herkomst, vissoort, enz., te worden geregistreerd met het oog op toekomstige maatregelen voor de aanpak van de aanwezigheid van dioxinen en dioxineachtige verbindingen diervoeders.

Congeneer

TEF-waarde

Dibenzo-p-dioxinen („PCDD’s”)en dibenzofuranen („PCDF’s”)

2,3,7,8-TCDD

1

1,2,3,7,8-PeCDD

1

1,2,3,4,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDD

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDD

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD

0,01

OCDD

0,0001

2,3,7,8-TCDF

0,1

1,2,3,7,8-PeCDF

0,05

2,3,4,7,8-PeCDF

0,5

1,2,3,4,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,7,8,9-HxCDF

0,1

2,3,4,6,7,8-HxCDF

0,1

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF

0,01

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF

0,01

OCDF

0,0001

„Dioxineachtige” pcb’s: non-ortho-pcb’s + mono-ortho-pcb’s

 

 

Non-ortho PCBs

PCB 77

0,0001

PCB 81

0,0001

PCB 126

0,1

PCB 169

0,01

Mono-ortho PCBs

PCB 105

0,0001

PCB 114

0,0005

PCB 118

0,0001

PCB 123

0,0001

PCB 156

0,0005

PCB 157

0,0005

PCB 167

0,00001

PCB 189

0,0001

 

 

 

 

Gebruikte afkortingen: „T” = tetra; „Pe” = penta; „Hx” = hexa; „Hp” = hepta; „O” = octa; „CDD” = chloordibenzodioxine; „CDF” = chloordibenzofuran; „CB” = chloorbifenyl.


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving