Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Arrow
Arrow
Slider

2.7-1.5

VERORDENING (EU) 2015/1162 VAN DE COMMISSIE

van 15 juli 2015

tot wijziging van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 23, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 999/2001 bevat voorschriften inzake de preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij dieren. Zij is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

(2)

Punt 1 van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wijst als gespecificeerd risicomateriaal bepaalde weefsels van runderen, schapen en geiten aan indien zij afkomstig zijn van dieren van oorsprong uit een lidstaat of derde land, of gebied daarvan, met een gecontroleerd of onbepaald risico op boviene spongiforme encefalopathie („BSE”). Punt 2 van die bijlage breidt het toepassingsgebied van de lijst van weefsels aangewezen als gespecificeerd risicomateriaal uit tot lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico, maar niet tot derde landen met dezelfde status. Als gevolg daarvan moeten lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico gespecificeerd risicomateriaal verwijderen en definitief verwijderen terwijl de invoer in de Unie van zulke weefsels uit derde landen met een verwaarloosbaar BSE-risico toegestaan is.

(3)

De Wereldorganisatie voor diergezondheid („OIE”) raadt enkel de uitsluiting van de internationale handel aan van gespecificeerd risicomateriaal afkomstig van runderen van oorsprong uit landen met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico, terwijl er geen uitsluiting wordt aangeraden voor runderen van oorsprong uit landen met een verwaarloosbaar BSE-risico (2).

(4)

De beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën voor de periode 2010-2015 van de Commissie (3) voorziet in de mogelijkheid om de huidige verplichting voor lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico om gespecificeerd risicomateriaal uit de voedsel- en voederketen te verwijderen, te herzien als een groeiend aantal lidstaten die status bereikt. Met de vaststelling op 20 oktober 2014 van Uitvoeringsbesluit 2014/732/EU van de Commissie (4), dat gebaseerd is op Resolutie nr. 18 van de Wereldorganisatie voor diergezondheid („OIE”) van mei 2014 (5), werden 17 lidstaten als landen met een verwaarloosbaar BSE-risico erkend.

(5)

De goedkeuring van alle weefsels afkomstig van runderen die momenteel gekwalificeerd zijn als gespecificeerd risicomateriaal voor gebruik in de voedselketen in lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico wordt op dit moment als voorbarig beschouwd, omdat er nog bepaalde wetenschappelijke onzekerheden bestaan omtrent atypische BSE.

(6)

Op 19 januari 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA”) een gezamenlijk met het Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding („ECDC”) opgesteld advies uitgebracht over de mogelijke epidemiologische of moleculaire verbanden tussen overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij dieren en bij mensen („het gezamenlijke EFSA/ECDC-advies”) (6). In dat gezamenlijke advies bevestigen de EFSA en het ECDC dat er atypische vormen van BSE bij runderen zijn geconstateerd en maken zij een onderscheid tussen klassieke BSE, atypische BSE van het L-type en atypische BSE van het H-type.

(7)

Volgens dat gezamenlijk advies wijzen verschillende elementen erop dat het atypische BSE-agens van het L-type het potentieel heeft om een zoönotisch agens te zijn. Zulke elementen zijn er niet voor het atypische BSE-agens van het H-type. Dat gezamenlijk advies stelt ook dat de ongewoon hoge ouderdom van alle vastgestelde gevallen van atypische BSE van het H-type en atypische BSE van het L-type en hun kennelijk geringe prevalentie in de populatie erop wijzen dat deze atypische vormen van BSE spontaan optreden, onafhankelijk van de voederpraktijken. Het BSE-bewakingssysteem in de Unie toont een zeer geringe prevalentie en een relatief constant niveau aan van gevallen van atypische BSE in de afgelopen jaren.

(8)

Op 11 januari 2011 publiceerde de EFSA een wetenschappelijk advies over de herziening van de kwantitatieve risicobeoordeling van het BSE-risico van verwerkte dierlijke eiwitten (7) („EFSA-advies 2011”). Dat wetenschappelijk advies geeft aan dat 90 % van de totale infectiviteit in ziektegevallen met BSE verband houdt met weefsels van het centrale en perifere zenuwstelsel. Meer in het bijzonder schat dat advies dat 65 % van de totale infectiviteit in ziektegevallen met BSE verband houdt met de hersenen en 26 % met het ruggenmerg.

(9)

Op 11 juli 2014 publiceerde de EFSA een wetenschappelijk verslag over een protocol voor verdere laboratoriumonderzoeken naar de verspreiding van infectiviteit van atypische BSE (8). Volgens dat wetenschappelijke verslag tonen collectieve gegevens aan dat klassieke BSE dezelfde weefselverdeling heeft als atypische BSE, waarbij de hogere titers van infectieve prioneiwitten en/of infectiviteit worden gedetecteerd in het centrale en perifere zenuwstelsel.

(10)

Om al die redenen moeten de hersenen en het ruggenmerg van runderen ouder dan twaalf maanden van oorsprong uit lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico op de lijst van gespecificeerd risicomateriaal blijven in afwachting van meer kennis over het risico verbonden aan atypische BSE.

(11)

Gezien de praktische moeilijkheden om te verzekeren dat de beenderen van de schedel niet besmet worden met hersenweefsel, moet de schedel van runderen ouder dan twaalf maanden van oorsprong uit lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico ook op de lijst van gespecificeerd risicomateriaal blijven.

(12)

De gegevens die werden onderzocht door de EFSA, verwijzen voornamelijk naar Europa als gevolg van het goed uitgebouwde bewakingssysteem in de EU. Op het niveau van de OIE lopen er momenteel besprekingen om het hoofdstuk over BSE in de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE te herzien gezien de recent verworven kennis over atypische BSE. De regels van de Unie over gespecificeerd risicomateriaal in lidstaten en derde landen met een verwaarloosbaar BSE-risico moeten herzien worden in het licht van het resultaat van deze besprekingen.

(13)

Voor zover bekend, worden de schedel, de hersenen, het ruggenmerg en de ogen van runderen ouder dan twaalf maanden niet in de Unie ingevoerd.

(14)

Om meer gelijke omstandigheden te verzekeren voor het in de handel brengen van producten uit de lidstaten in vergelijking met ingevoerde producten uit derde landen, daarbij rekening houdend met het mogelijke resterende risico bij het gebruik van bepaalde weefsels in de voedsel- en/of voederketen, moet het bijkomende vereiste dat het verbod op gespecificeerd risicomateriaal van runderen uitbreidt tot lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico, derhalve worden afgeschaft, behalve voor de schedel, de hersenen en het ruggenmerg van runderen ouder dan twaalf maanden.

(15)

Verordening (EG) nr. 999/2001 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Als toekomstige wetenschappelijke gegevens risico's voor de volksgezondheid zouden aantonen die momenteel niet gekend zijn, dan moeten de regels van de Unie betreffende gespecificeerd risicomateriaal in lidstaten en derde landen met een verwaarloosbaar BSE-risico worden herzien.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage V bij Verordening (EG) nr. 999/2001 wordt punt 2 vervangen door:

„2.   Specifieke vereisten voor lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico

Weefsels genoemd in punt 1, onder a), i) en punt 1, onder b), die afkomstig zijn van dieren van oorsprong uit lidstaten met een verwaarloosbaar BSE-risico, worden beschouwd als gespecificeerd risicomateriaal.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juli 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)  Artikel 11.4.14 van de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE, uitgave 2014 (OIE — Terrestrial Animal Health Code — V 8 — 15.7.2014).

(3)  Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — Het TSE-stappenplan 2 — Een beleidsnota betreffende overdraagbare spongiforme encefalopathieën voor de periode 2010-2015; COM(2010)384 final.

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/732/EU van de Commissie van 20 oktober 2014 tot wijziging van Beschikking 2007/453/EG ten aanzien van de BSE-status van Bulgarije, Estland, Kroatië, Letland, Luxemburg, Hongarije, Malta, Portugal en Slowakije (PB L 302 van 22.10.2014, blz. 58).

(5)  Resolutie nr. 18, „Recognition of the Bovine Spongiform Encephalopathy Risk Status of Member Countries”, goedgekeurd door de World Assembly of Delegates van de OIE op 27 mei 2014 (82 GS/FR — Parijs, mei 2014).

(6)  EFSA Journal 2011;9(1):1945.

(7)  EFSA Journal 2011;9(1):1947.

(8)  EFSA Journal 2014;12(7):3798.


 

Zoeken

Nieuwsbrief

Inschrijven voor onze nieuwsbrief Diervoederwetgeving