Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Federatie Nederlandse Diervoederketen

Mycotoxinen in Diervoeders

Hoe zit dat?

Wat zijn mycotoxinen?
Schimmels produceren stofjes om zich te verdedigen tegen bacteriën en andere schimmels. Deze stofjes worden ‘mycotoxinen’ genoemd, door schimmels (van het Griekse woord ‘mucos’, schimmel) geproduceerde gifstoffen. Mycotoxinen zijn dus natuurlijke stoffen die nagenoeg overal aanwezig zijn, vooral omdat schimmels sporen vormen: schimmelsporen kunnen lang overleven tijdens droogte of kou en groeien onder warme en vochtige omstandigheden uit tot schimmels die toxinen kunnen produceren. Mycotoxinen kunnen zowel tijdens de groei van een gewas op het veld, als tijdens de opslag na de oogst worden gevormd. Voedingsmiddelen voor mens en dier kunnen zo besmet raken met mycotoxinen. Verschillende schimmelsoorten produceren verschillende toxinen. De belangrijkste schimmelsoorten zijn Aspergillus, Penicillium en Fusarium.
Fusarium-schimmels zijn veldschimmels die de gewassen besmetten in het groeiseizoen. Aspergillus en Penicillium zijn opslagschimmels; deze groeien met name op grondstoffen die onder vochtige en warme omstandigheden zijn opgeslagen.

Wat doen mycotoxinen?
Mycotoxinen zijn dus een natuurlijk verdedigingsmechanisme van schimmels, maar ze kunnen wel ongewenste effecten hebben op de gezondheid van mensen en dieren.
Mycotoxinen zijn niet nieuw, al in de Middeleeuwen gaven granen besmet met de schimmel Claviceps (‘moederkoorn’) grote gezondheidsproblemen. Daarnaast is bekend dat een ander mycotoxine, aflatoxine, in hoge concentraties kankerverwekkend kan zijn. Goede controle en beheersmaatregelen, zoals ontsmetting van zaaizaad, hebben ertoe geleid dat mycotoxinen in de humane voeding tegenwoordig geen reëel gezondheidsrisico vormen. Andere mycotoxinen zijn vooral van belang in de diervoeding: ze beïnvloeden de diergezondheid en daardoor ook de productieresultaten van landbouwhuisdieren, maar vormen geen gevaar voor de volksgezondheid omdat deze stoffen niet of nauwelijks in melk en vleesproducten terecht komen. Een overzicht van de belangrijkste mycotoxinen staat in Tabel 1.

Tabel 1     De belangrijkste mycotoxinen die voor kunnen komen in diervoedergrondstoffen en hun effecten op de diergezondheid

Mycotoxine Schimmel Komt voor in Effect op diergezondheid
Aflatoxine Aspergillus Maïs, zaden Leveraandoeningen,
kankerverwekkend
Ergot alkaloïden Claviceps Rogge, tarwe Zenuwafwijkingen
Fumonisine
(FB1, FB2)
Fusarium  Maïs, granen Long- en
leverproblemen
Ochratoxine (OTA) Aspergillus,
Penicillium
Granen Nierbeschadiging,
verzwakte afweer
Trichothecenen
(T-2, HT-2, DON)
Fusarium Maïs, granen Verzwakte afweer, darmstoornissen, 
verandering bloedcellen, zucht
Zearalenon (ZEA) Fusarium Maïs, granen Vruchtbaarheidsproblemen

 
Waarom krijgen mycotoxinen zoveel aandacht in de diervoeding?
In de diervoeding worden voedermiddelen gebruikt die ook door de mens worden gegeten, zoals granen. Daarnaast bevat diervoeding veel ingrediënten die een bijproduct zijn van de humane voedingsmiddelenindustrie. Voorbeelden daarvan zijn restproducten van zaden nadat er olie voor humane consumptie uit is gehaald, doppen en hullen die verwijderd zijn van zaden, zemelen die na de productie van tarwebloem overblijven en andere producten, die de mens niet kan of wil eten, maar waar het dier nog wel goed voedsel (melk, vlees, eieren) van kan maken. Omdat mycotoxinen vaak aan de buitenkant van granen zitten, is de concentratie van mycotoxinen in dergelijke bijproducten voor dierlijke consumptie vaak (veel) hoger. Daardoor is de kans dat de gezondheid in gevaar komt voor het dier groter dan voor de mens.
Mycotoxinebesmettingen beïnvloeden de gezondheid van de dieren. Zelfs een geringe verstoring van de diergezondheid heeft al een nadelig effect op de productiviteit en daardoor op het inkomen van de veehouder. Ook daarom is de diervoedersector erg alert op mycotoxinen.

Hoe gaat de sector om met mycotoxinen?
Mycotoxinen kunnen ‘van nature’ voorkomen in grondstoffen voor voedingsmiddelen voor mens en dier. Om te voorkómen dat mycotoxinen in ons eten terecht komen, worden grondstoffen goed gecontroleerd. In de Europese Unie gelden voor de meeste mycotoxinen maximum grenzen voor de aanwezigheid in diervoeders. Deze maximum normen verschillen vaak per diersoort, omdat niet alle landbouwhuisdieren even gevoelig zijn voor alle mycotoxinen: Bij herkauwers worden veel mycotoxinen al in de pens afgebroken, zodat ze geen risico vormen voor de diergezondheid. In sommige gevallen kan een diervoedergrondstof met een bepaald gehalte aan een specifiek mycotoxine dus ongewenst zijn voor de ene diersoort, maar veilig gevoerd worden aan een andere diersoort.
De European Food Safety Authority (EFSA) verzamelt gegevens over mycotoxinebesmetting, beoordeelt risico’s en geeft adviezen over voedselveiligheid. Daarnaast is er binnen de EU een waarschuwingssysteem waardoor de hele diervoedersector wordt geïnformeerd als er op welke wijze dan ook een ongeschikt voedermiddel wordt aangetroffen. Grondstoffen met een te hoge besmettingsgraad worden uit de handel genomen.
Het is praktisch gezien niet mogelijk om 100% mycotoxinevrij diervoer te maken. Aangezien een dier de mogelijkheid heeft om geringe hoeveelheden toxinen te neutraliseren in het verteringsproces, is een laag gehalte niet schadelijk voor de diergezondheid.

Wie is er verantwoordelijk voor de veiligheid van de voeders?
Voerproducenten zijn verantwoordelijk voor de veiligheid van de geleverde voeders en moeten zich dus houden aan de Europese richtlijnen. Zij worden daarop door de NVWA gecontroleerd. Daarnaast gelden er voor sommige mycotoxinen extra strenge eisen om de kwaliteit van dierlijke producten die door de mens worden geconsumeerd te waarborgen. Een voorbeeld daarvan is dat in Nederland strenge eisen worden gesteld aan aflatoxine om te voorkomen dat er overdracht naar de melk plaats vindt.

Wat doet de diervoederindustrie eraan om mycotoxinen in het diervoer te beperken?
Er zijn verschillende manieren waarop de kans op besmetting van voedermiddelen met mycotoxinen kan worden verkleind tijdens de teelt, de opslag, de verwerking en de handel.
Tijdens de teelt bepalen vooral de weersomstandigheden de mate van besmetting met mycotoxinen. Daarom zien we van jaar tot jaar grote verschillen in mycotoxinegehalten en zijn er ook grote regionale verschillen.
Door de keuze van minder gevoelige rassen, het telen van steeds wisselende gewassen op dezelfde percelen (rotatieteelt) en een goede grondbewerking kan het risico worden verkleind. De weersomstandigheden heeft men echter niet in de hand!
De opslag van geoogste gewassen moet koel en droog zijn. Dit geldt ook voor het transport, vooral als de voedermiddelen uit tropische landen komen.
Daarnaast is het van belang dat de voedermiddelen voordat ze verwerkt worden tot voer geanalyseerd worden op de aanwezigheid van mycotoxinen. Door het Early Warning systeem zoals dat in de EU bestaat, weten de Nederlandse mengvoederbedrijven al in een vroeg stadium welke grondstoffen afkomstig uit welke regio een risico hebben; de voerfabrikant zal dan extra voorzichtig met deze grondstoffen zijn.

Welke andere maatregelen worden er getroffen?
Als er teveel mycotoxinen in een voedermiddel zitten wordt deze partij uit de markt genomen en vernietigd. Daarnaast kunnen als extra veiligheidsmaatregel bij de bereiding van diervoeders stoffen worden toegevoegd die de mogelijk negatieve effecten op het dier kunnen verminderen. Dit kunnen stoffen zijn die de mycotoxinen binden zodat ze niet door het dier worden opgenomen en daardoor niet in melk en vlees terecht komen. Ook kunnen enzymen worden toegevoegd die de mycotoxinen afbreken tot ongevaarlijke producten.

Zitten er dan toch nog mycotoxinen in diervoeders?
Dankzij strikte regelgeving en goede controle zijn de gehalten aan mycotoxinen in diervoeders zeer laag. Nulrisico bestaat echter niet, dus er kan soms toch nog een diervoedergrondstof doorheen glippen. Door goede ‘tracking & tracing’ worden besmette partijen snel opgespoord en teruggeroepen, waardoor de risico’s voor de gezondheid van mens en dier minimaal zijn.
De Nederlandse diervoeders zijn meestal samengesteld uit veel verschillende grondstoffen. De kans op gevaarlijke hoeveelheden mycotoxinen is dus klein, omdat een besmet voedermiddel in het mengvoer verdund wordt met niet-besmette grondstoffen. In landen waar het diervoer uit slechts twee of drie grondstoffen is samengesteld is het risico groter.

maïs diervoederketen      tarwe diervoederketen

 


logo fnd

Deze factsheet is opgesteld in opdracht van de Federatie Nederlandse Diervoederketen (FND). De FND staat voor de productie van verantwoorde en veilige voedermiddelen en voeders voor landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren.
Wageningen University & Research en Schothorst Feed Research B.V. zijn verantwoordelijk voor de inhoud van deze factsheet.

 


schothorst

Schothorst Feed Research B.V. is een onafhankelijk onderzoeksinstituut dat wetenschappelijke, nutritionele kennis ontwikkelt en samen met haar klanten vertaalt naar nieuwe, innovatieve diervoederconcepten. Zo staat Schothorst Feed Research B.V. aan de basis van veel innovaties in de diervoeding.
Meer informatie: www.schothorst.nl.

 


wageningen university


De missie van Wageningen University & Research is ‘To explore the potential of nature to improve the quality of life’. De kracht van Wageningen University & Research ligt in de bundeling van gespecialiseerde onderzoeksinstituten en de universiteit in de samenwerking vanuit verschillende natuur-, technologische en maatschappijwetenschappelijke disciplines. Daardoor kunnen wetenschappelijke doorbraken snel in de praktijk en in het onderwijs worden vertaald.
Meer informatie: www.wur.nl.